De weg naar een beschaafd kapitalisme

HET POLITIEKE debat onder socialisten bestond van oudsher vooral uit het analyseren van de kapitalistische productieverhoudingen. Op basis van de uitkomst van die analyse moest immers de strategie worden bepaald om de particulier georganiseerde economische bedrijvigheid onder de controle van de gemeenschap te brengen....

Dit gebruik is de laatste decennia in het ongerede geraakt. De 'sociale markteconomie' werd door de sociaal-democraten stilzwijgend als gegeven aanvaard, waarmee het socialisme zelf werd gereduceerd tot het vraagstuk van het verdelen van de geproduceerde rijkdom. Hoe die rijkdom tot stand kwam, vroegen weinigen zich nog af.

Met het Twintigste jaarboek voor het democratisch socialisme wil de Wiardi Beckman Stichting (WBS), het wetenschappelijk bureau van de Partij van de Arbeid, hierin terecht verandering brengen. Het negeren van de revolutionaire veranderingen die zich in de economie voltrekken, betekent uiteindelijk niets minder dan het ondermijnen van het bestaansrecht van de sociaal-democratie als politieke stroming.

Meer in het bijzonder keert de WBS zich tegen de vanzelfsprekendheid waarmee de Britse zusterpartij New Labour de modernisering van de kapitalistische economie tot hoofdpunt van beleid heeft gemaakt. Blair en de zijnen, schrijft WBS-directeur Paul Kalma, zien de rol van de overheid voornamelijk in het mogelijk maken van deze modernisering, het stimuleren van groeikansen. De Britse partijgenoten gaan daarmee veel te gemakkelijk voorbij aan de essentie van de sociaal-democratische traditie, namelijk de inbedding van het kapitalisme in een nationale verzorgingsstaat. De vraag: 'Welk kapitalisme willen we eigenlijk?', mag van Blair niet worden gesteld.

Door de enorm toegenomen mobiliteit van geld, mensen en informatie is het vermogen van de politiek tot 'terugpraten' tegen de economie in de ogen van Kalma sterk ondermijnd, maar het gaat niet aan dat sociaal-democraten zich neerleggen bij het ontstaan van een 'marktmaatschappij'. Kalma pleit dan ook voor een inperking van de vrijheid van de financiële markten, een 'verzoening van arbeid en milieu' en een 'rigoureuze bescherming van de institutionele pijlers van een beschaafd kapitalisme'. Met dit laatste doelt hij op een belastingstelsel dat op het draagkrachtbeginsel rust, een collectieve sector die in sociale behoeften voorziet, en een organisatie van de onderneming als samenwerkingsverband van betrokken stakeholders.

Om het hedendaagse 'ontketende' kapitalisme opnieuw op sociale wijze te organiseren pleit Kalma voor internationale regulering en coördinatie. Hij keert zich dan ook terecht tegen de vervreemding die 'Europa' ook onder sociaal-democraten oproept en beklaagt zich over het ontbreken van een debat tussen socialisten op Europees niveau om de EU in te zetten als instrument om het kapitalisme in sociale banen te leiden.

Kalma erkent dat we in een welvarende samenleving leven waarin iedereen wel wat te verliezen heeft. De oorspronkelijke socialistische doelstelling: de emancipatie van de arbeidersklasse, is grotendeels gerealiseerd. Daarmee ligt de toekomst van de sociaal-democratie zijns inziens vooral in de postmateriële, altruïstische sfeer: het bestrijden van onrecht, milieubehoud, het bevorderen van maatschappelijke samenhang door participatie van burgers in alle mogelijke maatschappelijke arena's.

Het zijn verstandige woorden, maar ze blijven enigzins in de lucht hangen. Ook de andere bijdragen aan het Jaarboek doen erg schetsmatig aan. Gemeenschappelijk element in alle artikelen is een pleidooi voor een actieve, op hervorming van de kapitalistische economie gerichte politiek. Sommige auteurs, zoals de socioloog Bart Tromp en Kalma, zijn pessimistisch over de mogelijkheden van zo'n politiek.

Anderen zijn optimistischer. De econoom Arie van der Zwan verwacht bijvoorbeeld dat het bedrijfsleven na de onvermijdelijke conjuncturele inzinking vanzelf weer zijn heil bij de beschermende overheid zal zoeken. Een nieuwe politiseringsgolf, vergelijkbaar met die van de jaren zeventig, ligt na de beurskrach in het verschiet.

Premier Wim Kok betoogt dat de sociaal-democratie 'dicht bij het ondernemen moet blijven staan'. Vooral het midden- en kleinbedrijf zorgen voor welvaart en werk, we moeten ons niet verkijken op de vijfhonderd concerns van Fortune. Volgens Kok is het bedrijfsleven eerder te weinig ondernemend dan te veel. Investeren in plaats van speculeren moet het parool zijn. Ook de collectieve sector moet zich ondernemend opstellen: de grenzen van de marktwerking in de overheidssector zijn volgens de premier nog niet bereikt. Met name niet in de sociale zekerheid.

Kok toont zich een voorstander van gecoördineerd internationaal optreden ter beteugeling van het flitskapitaal, waarbij zijns inziens ook het internationale bedrijfsleven zelf belang heeft. Afstemming van regelgeving op Europees niveau betekent volgens hem geen verzwakking van de nationale democratie, maar een versterking. Onze ambitie inzake 'vergroening' van ons belastingstelsel zou immers veel beter tot zijn recht komen als op Europees niveau een kerosinebelasting wordt ingevoerd.

Optimistisch is ook de economisch historicus Jan Luiten van Zanden. Tegenover het gangbare liberale beeld van de economie als een verzameling markten waarop individuen proberen hun doelen te realiseren, plaatst hij de zogenoemde institutionele economische benadering. In dit alternatief - ook wel bekend als het poldermodel - worden de mensen als sociale wezens gezien die volgens bepaalde spelregels (normen en waarden) hun doelen trachten te verwezenlijken door - in huishoudens, ondernemingen, vakbonden, politieke partijen - samen te werken.

Een zeer groot deel van de economische besluitvorming komt op deze manier tot stand als resultaat van onderhandelingen. Volgens Van Zanden is in Nederland de ongelijkheid door dit institutionele model minder sterk toegenomen dan elders, terwijl de groei van de werkgelegenheid toch vergelijkbaar was met die van de Verenigde Staten. Conclusie: efficiëntie en rechtvaardigheid kunnen met elkaar worden verzoend door het principe van democratische besluitvorming over de spelregels van de markt en de economie.

Dit geldt ook voor het niveau van het huishouden en de onderneming. Het onderhandelingshuishouden is immers niet minder efficiënt dan het patriarchale gezin. En in de diensteneconomie is de kwaliteit van de organisatie en de werknemers het enige middel waarmee ondernemers met elkaar kunnen concurreren. Betrokkenheid van die werknemers vereist dat ze mee kunnen doen aan de besluitvorming. Met andere woorden: de postindustriële economie brengt onvermijdelijk een zekere democratisering van de onderneming met zich mee.

Van Zanden rondt zijn redenering af met een pleidooi voor het uitbouwen van internationale instituties om de mondialiserende economie in goede banen te leiden. Nieuwe regels voor het internationale kapitaalverkeer, gecoördineerde acties van het IMF en versterking van de Europese Unie: niet de markt, maar politieke samenwerking moet in zijn ogen de doorslag geven.

De sociaal-democratie hoeft zich inderdaad niet zomaar neer te leggen bij de dynamiek van het hedendaagse kapitalisme. Maar dit kapitalisme verdient wel een diepgaander en nauwkeuriger analyse dan het Twintigste jaarboek biedt. Het is teleurstellend dat inzichten over 'globalisering' en de 'netwerkmaatschappij' van sociologen als Manuel Castells en Saskia Sassen nog niet tot de Wiardi Beckman Stichting zijn doorgedrongen.

De rol van de werknemer als consument en aandeelhouder blijft eveneens onbesproken. En ook doet de WBS onvoldoende recht aan de vernieuwende discussies die intellectuelen achter New Labour als Geoff Mulgan en Tony Giddens in de jaren negentig hebben aangezwengeld. Alle reden voor het PvdA-bureau om het in dit Jaarboek begonnen karwei voort te zetten.

Meer over