ColumnKoen Haegens

De voedselindustrie stevent af op haar eigen Shell-moment. Met dank aan suikertaks en vetverbod

null Beeld

In één drinkpakje Roosvicee multivit perzik zitten volgens de Consumentenbond 4,5 suikerklontjes. Die oergezonde granola met fruit van Albert Heijn: 5 stuks per 100 gram. Slecht voor onze gezondheid, goed voor de kassa. Maar hoelang nog?

Het van vet, zout en suiker doordrenkte winstmodel kan weleens op zijn laatste benen lopen. Dat beweer ik niet. Dat vreest de voedselindustrie zelf. Onlangs ­citeerde de Financial Times uit een interne presentatie van Nestlé. De wereldwijde marktleider, maker van KitKat-repen en Mövenpick-ijsjes, noemt daarin 70 procent van de eigen voedselproducten ongezond. Bij de drankjes is dat zelfs 96 procent. En: ‘Sommige van onze categorieën en producten zullen nooit ‘gezond’ zijn, hoeveel we ook vernieuwen.’

Mocht u lichte paniek bespeuren in die opmerking, dan bent u niet de enige. Het deed mij denken aan het klimaatdebat. Stap één: er dreigen gigantische maatschappelijke kosten. In 1990 was een op de drie volwassen ­Nederlanders te zwaar. Inmiddels is dat ruim de helft. Blijven we eten zoals we eten, dan kampen in 2040 twee op de drie mensen met overgewicht.

De rekening – van extra hart- en vaatziekten, diabetes, minder gezonde levensjaren – wordt op jaarlijks bijna 9 miljard euro geschat. Dat zie je niet terug in de prijs. Dus draait de belastingbetaler er voor op. Net zoals dat gebeurt met de milieuschade van goedkope kerosine of energie uit steenkolen.

Stap twee is nu gaande. Het geduld van politiek en samenleving lijkt op. Het helpt niet langer om jezelf à la Shell om te dopen van ‘oliebedrijf’ in ‘energieconcern’. Net zoals het weinig zin heeft om het motto ‘voeding, gezondheid & wellness’ te omarmen, zoals Nestlé doet. De druk op het toekomstige kabinet om ongezond eten zwaarder te belasten neemt toe. Buitenlandse voorbeelden genoeg. Landen als Frankrijk en Groot-Brittannië kennen al een suikertaks. New York heeft transvetten in restaurants verboden.

Als de parallel met de fossiele economie klopt, zijn we binnenkort getuige van stap drie. Grote investeerders gaan twijfelen of hun beleggingen in de voedingsindustrie geen financieel risico vormen. Sommige pensioenfondsen staan nu al onder druk van hun deelnemers om geen geld in junk food te steken.

De vooruitstrevender ceo’s tellen hun knopen. Unilever slokt het ene na het andere gezond ogende bedrijf op, van vitamineproducenten tot de Vegetarische Slager. Nestlé stootte Herta af – dat is het onderdeel achter culinaire pareltjes als knakworsten in de vorm van knikkers. Niet dat de klant ineens geen onverantwoord voedsel blieft. Daar zijn en blijven we dol op. Maar wat als over­heden die producten plotseling duurder maken? Of ze niet meer smaken door strengere zoutlimieten, zoals Zuid-Afrika al probeerde?

Inderdaad: ook de voedselindustrie moet vrezen voor stranded assets. Zo worden in de financiële sector beleggingen genoemd die straks, met strengere wetgeving en/of drastische klimaatverandering, niks meer waard zijn. Denk aan kolencentrales. Teerzanden. Of gewoon een mierzoet glaasje Nesquik met aardbeiensmaak.