De verborgen vloot van de Loffelijke Compagnie

De VOC had tweemaal zo veel schepen als gedacht. De Aziatische vloot was de basis van een uitgekiend netwerk.Door Ben van Raaij..

Ben van Raaij

Dachten we dat we na vier eeuwen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie wel zo ongeveer alles wisten, blijkt de VOC-vloot twee keer zo groot dan tot dusver aangenomen. Tussen 1595 en 1660 had de ‘Loffelijke Compagnie’ in elk geval geen 529, maar 1058 schepen in de vaart.

Dit is een van de conclusies van het project waarop Robert Parthesius – historicus, onderwater-archeoloog en directeur van het Centrum Internationale Erfgoedactiviteiten – dinsdag aan de Universiteit van Amsterdam promoveert.

Andere conclusie: dankzij die grote (en gevarieerde) vloot wist de VOC tussen Europa en Azië én binnen Azië een fijnmazig, uitgekiend en centraal aangestuurd scheepvaartnetwerk te onderhouden dat veel efficiënter en winstgevender was dan dat van de Europese en Aziatische concurrentie.

De kiem voor het onderzoek, vertelt Parthesius, werd gelegd toen hij als student onderzoek deed voor de reconstructie van het VOC-schip Batavia in Lelystad. Hij kwam vreemde schepen tegen die niet in de Uitloopboeken (registers van in- en uitgaande schepen van de VOC) staan vermeld. Later ontdekte hij als onderwaterarcheoloog bij inspectie van het wrak van de Avondster, een VOC-schip dat in 1659 in de baai van Galle op Sri Lanka was vergaan, dat het om een in de Eerste Engelse Zeeoorlog veroverd en omgebouwd Engels schip ging.

Parthesius: ‘Ons beeld van de VOC is altijd bepaald geweest door het intercontinentale scheepvaartnetwerk van de retourvloten die op en neer voeren tussen de Republiek en Indië. Langzaam begon zich nu een heel andere wereld te ontvouwen, die van het intra-Aziatisch scheepvaartnetwerk, die tot dan grotendeels verborgen was geweest. Ik wilde uitzoeken hoe dat Aziatische netwerk zich maritiem en logistiek had ontwikkeld.’

Basis van het onderzoek is een enorme database waaraan Parthesius en zijn medewerkers jaren hebben gewerkt. In dat bestand staan voor de periode van 1595 tot 1660 zo’n 33 duizend scheepsbewegingen en 700 bestemmingen, van Mokka in Jemen tot Nagasaki in Japan, genoteerd. Parthesius heeft daarvan 11.700 reizen en 520 bestemmingen geanalyseerd.

Postzegels

Postzegels
‘Die database was eigenlijk helemaal niet de bedoeling’, zegt Parthesius. ‘Hij is tot stand gekomen doordat zoveel mensen er in de archieven zolang aan hebben gewerkt. Voor sommigen blijkt het een hobby als postzegels verzamelen. Die kunnen niet slapen als een scheepsreis nog niet compleet is.

Postzegels
‘Maar zo hebben we wel ontdekt dat de vloot tweemaal zo groot was. 529 schepen waren bekend, en we hebben er toevallig ook 529 bij gevonden. Onze ambitie is nu met de database de twee eeuwen van de VOC compleet te maken.’

Postzegels
Het moeizame turven van aantallen en typen schepen, scheepsbewegingen en vrachtvolumes per route en bestemming maakte een gedetailleerde reconstructie van de ontwikkeling van het maritieme en economische netwerk van de Compagnie in Azië mogelijk.

Postzegels
In de eerste fase, tot 1610, werd de bekende retourvaart naar Azië ontwikkeld. De Oost-Indiëvaarders vertrokken tweemaal per jaar vanuit de Republiek met ladingen zilver naar de Oost en keerden ruim een jaar later volgeladen met peper, nootmuskaat en zijde terug.

Postzegels
Vanaf 1610 zette de VOC ook een permanente organisatie in Indië op die vanuit Batavia een tweede, intra-Aziatisch scheepvaartnetwerk uitbouwde dat zich na 1630 uiteindelijk uitstrekte van het Arabisch schiereiland tot aan Japan.

Postzegels
Logistiek scharnierden de twee netwerken in Straat Soenda, die het hele jaar bezeilbaar was en waar in 1619 een groot overslagstation werd gebouwd. De kunst was de netwerken zo efficiënt mogelijk te laten aansluiten. Alles draaide om de vaste vertrekdata van de retourvloten, die vóór de herfststormen weer in Europa moesten zijn.

Postzegels
En om ‘egalisatie’. ‘Elke VOC-Kamer diende volgens een bepaalde sleutel mee te delen in vracht en winst van een retourvloot. Dat was dus een heel gepuzzel. En dan moesten soms nog schippers op verlof mee terug in patria, want die hadden het ‘‘recht van kajuit’’.’

Afbreekboten

Afbreekboten
De VOC maakte flexibel gebruik van een gevarieerde vloot, van grote, zwaarbewapende retourschepen tot fluiten, jachten en kleine ‘afbreekboten’, die als bouwpakket uit Europa werden aangevoerd. ‘Vaak waren kleine schepen nodig, zoals de snelle jachten die in de Straat van Malakka op Portugezen aasden.’ Soms werden lokaal boten gekocht of gekaapt, Chinese jonken of Molukse prauwen.

Afbreekboten
De planning was zo verfijnd dat wachttijden van schepen, bemanning en lading werden geminimaliseerd. ‘Een schip moet varen, anders kost het geld. Een vroeg binnenlopend retourschip kon dus nog snel even op en neer naar Taiwan en toch op tijd mee terug.’ Zo kon de VOC het hele jaar door varen en, anders dan de Europese concurrentie, de traditionele Aziatische moessonhandel omzeilen.

Afbreekboten
Alles stond of viel met een goede intelligence, zegt Parthesius. ‘En dat was misschien wel de grootste innovatie van de VOC. De centrale organisatie was altijd van alles op de hoogte. Stapelhandel was in die zin het stapelen van informatie.’

Meer over