De Varkensmoord van Brabant

Hoe erg is de Varkensmoord van Brabant eigenlijk? En wie heeft er bedacht dat het akelig is jonge biggen een spuitje te geven, zo akelig zelfs, dat de minister van Landbouw verleden week op voorhand probeerde te verijdelen dat wij te zien kregen hoe die beestjes het loodje leggen?...

Is dat, zoals je wel hoort, louter schijnheiligheid, of is er sprake van oprecht mededogen met het bittere lot van die beschamend blote dingen die daar, binnensmonds knorrend op een toon die nog het meest aan een onvervalst Brabants dialect doet denken, ongegeneerd aan een ontmoedigende reeks reusachtige borsten liggen te lebberen?

De bezwaren zijn in ieder geval niet van pragmatische aard, naar keuze economisch of gastronomisch geïnspireerd, want de verontwaardiging komt niet van de zijde van de verstokte liefhebbers van de karbonade, de hamlap of de salami. Welbeschouwd is er zelfs opvallend weinig verontwaardiging. Er was bij die prudente minister namelijk vooral sprake van de vrees voor commotie. Maar als we even afzien van wat gesputter in de brievenrubrieken van de kranten, hier en daar een vroom hoofdredactioneel commentaar en dat ene snikkende zoontje van een varkensfokker dat een cameraploeg van een actualiteitenrubriek op de televisie in een lege stal had aangetroffen, blijft het opvallend stil.

De Stichting Lekker Dier heeft weliswaar pro forma bezwaar aangetekend (op de vertrouwde 'zie je nou'-toon), maar de trouwe bewakers van de goede zeden, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten, het IKV, de Raad van Kerken en de columnisten van NRC Handelsblad, houden zich dit keer koest. Van genuanceerde manifesten, die tegen gereduceerd tarief op de advertentiepagina's van de grote kranten worden gepubliceerd en waar de Amsterdamse cultuurdragers als de kippen bij zijn om er hun naam onder te krijgen, geen spoor.

De enige die werkelijk benauwd was voor de emotionele gevolgen van de Varkensmoord was de overheid. Er was een rechter voor nodig om publiekelijk in beeld te krijgen hoe die biggen werden omgelegd, terwijl het ondenkbaar is dat je een beroep op die rechter zou moeten doen om in de krant te kunnen illustreren hoe in Afrika, oost of west, volkeren elkaar in gevechten van man tegen man met een machete om hals brengen. De gefotografeerde resultaten daarvan komen steevast in aanmerking voor een bekroning als World Press Photo - en halen dan andermaal de voorpagina's van de kranten.

Het is gemeengoed te menen dat de voortgang van het civilisatieproces een toenemende sensibiliteit met zich meebrengt voor het lot van de ons omringende schepsels. Maar, zo geïndividualiseerd en gevoelig kunnen we niet zijn, of het was deze keer de overheid die het gevoeligst bleek voor die naar verluidt toegenomen sensibiliteit. Op zichzelf past dat wel weer keurig in het bredere perspectief van de cultuur, waarin de individualisering van de samenleving met zich meebrengt dat wij zaken waarop wij als individueel burger geen greep menen te hebben opwaarts delegeren - opwaarts, aan een overheid die ondertussen zo bevreesd is geworden het die individuen niet allemaal naar de hoogst particuliere zin te maken, dat ze ons dit keer in haar bedremmelde ijver al voor was.

Het 'gemene best' heeft plaats gemaakt voor 'ieders eigen best' en dat brengt een speciale verantwoordelijkheid met zich mee voor wie dat bewaakt.

Dat verantwoordelijkheidsgevoel voor die vermeende sensibiliteit was al eerder aan het licht getreden. Terwijl de bedrijven die de kadavers van dode dieren opruimen sinds jaar en dag 'destructiebedrijven' heten, met een keurige, verhullende naam, en het om andere redenen dan ten behoeve van de consumptie doden van dieren altijd 'afmaken' heette, kwam in verband met de Varkensmoord van Brabant ineens het woord 'vernietigen' in zwang. Je moet wel verbluffend weinig historisch besef hebben wil je je niet lam schrikken van dat 'vernietigen': had een andere overheid het, eerder in deze eeuw, al niet eens systematisch over 'vernichten'?

Vier, vijf eeuwen terug: de tijd waarin de ware liefhebber van de valkenjacht nog een levende duif meenam om die, als het spel begon, bij zijn vleugeltjes te pakken en met een ferme ruk stuk te trekken. Voer voor de valk, om de bloeddorst erin te krijgen. Harde tijden, vooral voor duiven, slechte manieren als het om de omgang met dieren ging. Uilen, levend gekruisigd op de deuren van boerenschuren, vermakelijke gevechten tussen ganzen of hanen, opgeblazen kikkers, zangvogeltjes in een kooi of in de pan. De talrijke voorbeelden stofferen de romantisch geïnspireerde kijkdoos van het verleden, en bevorderen de tevredenheid over het heden en de eigen moraal.

Gruwelijk, allemaal - vinden wij, nou ja, behalve die gekooide vogeltjes. Uit het gebrek aan kwaliteit van hun manieren, blijkt de superioriteit van de onze. Middeleeuwse manieren, die als boerenmanieren nog geruime tijd hebben voortbestaan, want het civilisatieproces werkt van boven naar onderen, van degenen die het bedacht hebben naar degenen die er iets van kunnen opsteken.

Maar vooral: veranderende manieren.

'Als ik ook maar een kip de nek zie omgedraaid worden of een varken zie dat wordt doodgestoken, kan ik niet anders dan treuren en zo'n domme, bedauwde haas, die hijgend wordt opgejaagd door de honden kan ik niet verdragen.' Hij staat te boek als een scepticus, de zestiende-eeuwse filosoof Michel de Montaigne - 'Que sais je?', tenslotte -, maar er zijn grenzen. De scepsis heeft betrekking op wat we kunnen kennen, maar blijkbaar niet op wat we voelen - en de overtuiging dat zo'n kip, varken of haas het onder de beschreven omstandigheden niet prettig hebben, is van een heel andere signatuur dan, laten we zeggen, het geloof in de onsterfelijkheid van de menselijke ziel.

Dieren en dierenleed, of, zo men wil, levende wezens en onze verantwoordelijkheid jegens hen, zelfs als we er voor zouden terugdeinzen hen met 'hen' aan te spreken: de ontvankelijkheid ervoor is toch wat ouder dan de twintigste eeuw.

Maar ontwikkelt ze zich? De alles relativerende filosoof Montaigne kreeg een brok in zijn keel van die hijgende haas, maar de dichter Rutger Kopland kan nog geeneens jonge sla verdragen (in september). Hoe ver kan je gaan? In het nieuwste boek van Philip Roth komt een meisje voor dat 'Jain' wordt, en dat 'Jain' is een Indische levensfilosofie die zijn aanhangers aanbeveelt alle levende schepselen te ontzien - en dus wordt dat schoorvoetend en barrevoets lopen om de torretjes te sparen, een sluier voor de mond om de micro-organismen te ontzien en trainen in weinig, bijzonder weinig eten. Iedere hap is per slot een massamoord.

Maar het is wel een eeuwenoude leer waarop die scrupules zijn gebaseerd.

Het venijn zit vermoedelijk elders, en de zich ontwikkelende sensibiliteit heeft misschien eerder een cultureel karakter dan een historisch.

Jezus Christus, de kampioen van de naastenliefde als het om mensen ging en degene wiens ideeën dienaangaande de westerse cultuur hebben vormgegeven, had weinig op met dieren - en zeker niet met varkens. Toen Hij eens, in het land der Gadarenen, twee mannen - 'zeer gevaarlijke, zodat niemand langs die weg kon gaan' - tegenkwam die van de boze geesten bezeten waren, verzocht Hij die geesten op te krassen. Hij joeg hen op hun eigen verzoek in een kudde zwijnen. 'En zie, de gehele kudde stormde langs de helling de zee in en zij kwamen om in het water.'

Als de minister er vanuit had kunnen gaan dat Brabant nog rooms-katholiek was, dan had hij zijn mond gehouden over die fotografen.

Meer over