De romantiek is een beetje weg

In het Brabantse Raamsdonksveer hebben de woonwagens plaats gemaakt voor een keurige wijk met stenen ‘woonwagenwoningen’. Prima hoor, zeggen de bewoners....

Door Thijs Hartveld

Het liefst hadden ze er wielen onder gehad. Eén van de woonwagenbewoners had het ook nog gevraagd, tijdens de gesprekken die voorafgingen aan de ‘verstening’ van het woonwagencentrum in Raamsdonksveer. Of ze dan maar wielen op de huizen konden schilderen.

Het contact met de woonwagenbewoners was op z’n minst ‘intensief’, zegt architect Henk Elzerman van architectenbureau Marquart Architecten, het bureau dat tien jaar geleden in opdracht van Woonstichting Geertruidenberg werd benaderd het woonwagenkamp in Raamsdonksveer te vervangen door een wijkje met ‘woonwagenwoningen’ van steen. Het pilotproject is een voorbeeld uit het recent verschenen boekje Beelden van reizigers van Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting.

De gemeente wilde het centrum vernieuwen. Het woonwagenkamp moest echt onderdeel gaan vormen van de nieuwe woonwijk Boterpolder die er ging komen. Daarin was geen plaats meer voor de zeventien woonwagens met aparte gebouwen voor douches en wasgelegenheden.

Sinds 2002 staan de huizen er in de Mondriaanstraat en worden ze ook bewoond door de zeventien gezinnen van familie Constanje die er oorspronkelijk woonden. Zandkleurige huizen zonder bovenverdieping. En alle huizen zijn verhoogd. Je moet twee treden op voordat je bij de voordeur bent, die naar buiten open gaat. Net als een woonwagen. Ook het wijkje zelf doet denken aan een woonwagenkamp. Op het middenplein staan twee grote campers.

Tussen de stenen huizen staan nog twee oude woonwagens. Bewoond ook, ja. ‘Twee oudere bewoners wilden hun huis niet uit’, zegt Elzerman. ‘Ze hadden geen zin om op hun leeftijd nog alles te moeten verhuizen.’ Dus zijn de wagens blijven staan. Al is er wel alvast een fundering onder gelegd zodat er later een woonwagenwoning op gebouwd kan worden.

Elzerman: ‘Woonwagenbewoners zijn natuurlijk een andere woonomgeving gewend dan mensen die al hun leven lang in vaste huizen wonen. Daar moesten we rekening mee houden. We hebben met iedere bewoner overlegd. Ze hebben een kader gekregen waarin ze zelf mochten schetsen welke kamer ze waar wilden hebben.’

Daar hield de inspraak niet op. Het architectenbureau zat toen nog om de hoek bij het woonwagenkamp en tijdens de bouw stonden de woonwagens aan de overkant van de weg. De bewoners zaten er letterlijk met hun neus bovenop. ‘Dat was wennen’, erkent Elzerman. ‘Bij een normale particuliere woningbouw heb je ook wel dat contact, maar dan is het maar met één partij. Nu met zeventien.’

Alsof ze willen laten zien hoe dat ging met die inspraak komen er opeens twee mannen uit de camper. Een grijze man met een bril met getinte glazen en een dunne, zorgvuldig onderhouden witte snor herkent Elzerman. ‘We hebben het hier prima naar ons zin, hoor’, zegt hij. ‘Maar ja, de romantiek is een beetje weg hè.’

Inmiddels komen van alle kanten andere mannen om hem heen staan. Geen van allen willen ze met hun naam in de krant, maar hun mening mag iedereen weten. Over het huidige woonwagencomplex lijken de mannen tevreden, al blijven de herinnering aan het vrije leven met de woonwagen.

‘Kijk, ik heb altijd wel het woonwagenidee achter in mijn hoofd’, gaat de grijze man verder. ‘Lekker de wagen achter de auto zetten en dan de wereld in. Als ik me hier ga vervelen, koop ik met mijn zoons een caravan en dan zijn we weg. Wij hechten ons niet.’

Van een vertrek lijkt echter nog geen sprake. ‘We missen hier niets’, zegt een ander. ‘We hebben meer ruimte in deze woningen dan vroeger in onze wagens. En we hoeven niet meer naar buiten om te douchen. De vrouwen willen ook niet meer terug naar vroeger. Zij hebben nu hun wasmachientjes in huis. Hoeven ze ook niet meer naar buiten voor de was.’

‘Het is goed zo’, zegt de grijze man, ‘maar in mijn hart woon ik het liefst in een woonwagen.’

Meer over