ColumnKoen Haegens

De miljardair mag het socialisme op de blote knietjes danken

null Beeld
Koen Haegens

Langverwachte mijlpaal in de opvoeding: mijn 13-jarige zoon begon over het socialisme. Hij kwam althans uit school met de conclusie dat zo’n economie onmogelijk kan werken. ‘Als iedereen hetzelfde verdient, gaat niemand zijn best doen.’ Dus.

Vader haalde diep adem, waarna ik iets antwoordde in de trant van wetenschappers die juist ontdekken dat beloningsverschillen minder doorslaggevend zijn dan gedacht voor onze productiviteit. Dat professionele autonomie, de vrijheid om je werk naar eigen inzicht uit te voeren, minstens zo belangrijk is. En dat een baas die 320 keer meer verdient dan de werkvloer, zoals in de Verenigde Staten, echt niet het verschil maakt.

Zoals zo vaak besefte ik pas achteraf dat dat niet de kern is. Waar het om gaat is dat de ‘socialistische’ manier van werken – geen winstmaximalisatie maar het publieke belang nastreven, samenwerken in plaats van competitie, planning in plaats van marktwerking – niet als ondoenlijk of achterhaald valt weg te zetten. De sporen ervan zijn namelijk overal om ons heen zichtbaar. Provocerender geformuleerd: het kapitalisme kán niet zonder een stevige dosis socialisme.

Ik werd daaraan herinnerd door ’s lands allernieuwste miljardair, de 42-jarige Sytse Sijbrandij uit Hengelo. Vorige week maakte zijn bedrijf, GitLab, een succesvolle beursgang in New York. Op dat opensourceplatform maken, testen en verbeteren programmeurs samen apps en software. Dat doen ze dus zonder te concurreren. Alles wordt gratis op het internet geslingerd, geheel naar het motto van Marx: ‘Van ieder naar zijn vermogen, voor ieder naar zijn behoeften.’

Ik schrijf dit op een computer die op Linux draait, een door duizenden vrijwilligers wereldwijd gebouwde en onderhouden besturingssysteem. Via webbrowser Firefox – open source – zoek ik iets op in Wikipedia. Communiceren kan ondertussen via Signal, het non-profit alternatief voor WhatsApp.

De conservatieve econoom Ronald Coase noemde grote bedrijven met hun bureaucratische organisaties ooit ‘kleine planeconomieën’. Terecht, maar nog veel belangrijker voor het functioneren van het kapitalisme zijn gezinnen. Rechtse economen hebben de afgelopen decennia hun best gedaan om te bewijzen dat ouders hun kinderen opvoeden om ze van zo veel mogelijk ‘menselijk kapitaal’ te voorzien, later om te zetten in een goudgerand inkomen. ‘Want wat is het gezin anders’, schreef een Canadese econoom, ‘dan de contractuele verbintenis die twee partijen aangaan om specifieke inputs te leveren en de winst van de huishoudelijke output in vaste verhoudingen te verdelen?’

De waarheid is dat veel van wat er binnen de muren van de woning gebeurt, weinig te maken heeft met ‘voor wat, hoort wat’. De rebelse antropoloog David Graeber sprak ooit van ‘baseline communism’: het onverwoestbare fundament van solidair en altruïstisch gedrag dat onder ons commerciële laklaagje verstopt zit.

Natuurlijk blijven er zat redenen om kritisch te zijn op het reëel bestaande socialisme, van goelag tot tenenkrommende propaganda. Maar het idee dat mensen enkel tot grootse prestaties in staat zijn als er een zak geld tegenover staat? Dat hoort daar toch echt niet bij.

Meer over