De informatie-economie komt uit Afrika

In donker Afrika zag hij het licht: behalve door vraag en aanbod worden markten geregeerd door informatie. Waarom mensen knollen kopen als ze citroenen willen hebben....

WAT doe je als de kersverse president van de Verenigde Staten opbelt en vraagt of je zitting wilt nemen in zijn Council of Economic Advisors, dat even kleine als invloedrijke clubje economische adviseurs? Het ligt niet in de rede, gezien je staat van dienst. Je bent een wetenschapper. Je werk, zegt een Nederlandse econoom anno 1997, is 'te moeilijk' voor beleidseconomen. Je denkt stiekem aan de Nobelprijs die je op je buik kunt schrijven zolang je deel uitmaakt van de Washingtonse wereld.

Maar je denkt ook aan de kans om in dat Witte Huis, aan de vergadertafel met je presidentiële generatiegenoot, het economisch beleid uit te stippelen. Je denkt terug aan je studietijd in die wilde jaren zestig waarin je de natuurkunde inruilde voor economie teneinde 'iets van betekenis' te doen. Je bent nieuwsgierig. Je zegt, als het 1992 is en je Joseph Stiglitz heet, 'Ja Bill, ik kom er aan' tegen president Clinton. En je gaat.

En dan loop je - je bent inmiddels voorzitter van dat college van economische adviseurs - een vergaderzaaltje binnen waar gediscussieerd wordt over het hervormingsplan voor de gezondheidszorg. Een socioloog legt uit dat moral hazard en adverse selection cruciale begrippen zijn voor de economische problemen van de zorg. Je stelt een vraag en de man begint je college te geven over die begrippen. Je laat hem zijn gang gaan. Hij heeft je zeker niet herkend. En als je op kantoor terug bent en de gebeurtenis verhaalt aan je staf, lach je zelf het hardste.

Joseph Stiglitz, inmiddels Vice-President en Chief Economist van de Wereldbank, vertelt bovenstaande anecdote als hij in Amsterdam is om de jaarlijkse Tinbergen-lezing te houden. Het is zijn antwoord op een vraag naar de invloed van zijn academische ideeën op het economische beleid. Hij hoopt ermee aan te tonen dat die ideeën zo zeer zijn ingeburgerd dat ze niet eens meer als zijn ideeën worden herkend. Hij verklaart ermee waarom Dik Wolfson van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid rapporten volschrijft over informatie-economie, Stiglitz' geesteskind, maar desgevraagd toch zei 'lang niet aan Stiglitz te hebben gedacht'.

Veel door hem bedachte begrippen zijn opgenomen in het spraakgebruik van de beleidsmakers. En ja, geeft Stiglitz toe, hij heeft wel eens de neiging te roepen: 'Dat zijn mijn ideeën' Want een tikje ijdel lijkt hij wel.

Denkers worden twee keer geboren. Joe Stiglitz' fysieke geboorte vindt plaats in 1943 in Gary, Indiana, hetzelfde staalstadje waar Nobelprijswinnaar Paul Samuelson het levenslicht zag. De oudere van de twee stadgenoten loopt de jonge Joe tegen het lijf in Massachusetts op het MIT. Promovendus Stiglitz wordt, het is een uit de hand gelopen vakantiebaantje, de bezorger van Samuelsons Collected Papers.

Omdat Samuelson de dominante econoom is in die tijd, is het verzamelen, controleren en redigeren van zijn artikelen de best denkbare voorbereiding op een eigen geestelijk leven. Een incident tijdens Stiglitz' laatste mondelinge examen bevestigt dit eerder dan dat het er iets aan af doet.

Samuelson stelt kandidaat-doctor Stiglitz een 'obscure vraag' over iets wat in een van zijn eigen, niet-gepubliceerde artikelen geanalyseerd wordt. Stiglitz aarzelt. Zegt Samuelson: 'Ik dacht altijd dat er twee mensen waren die mijn werk kenden, nu denk ik dat het er toch maar één is.' Maar de plaatsgenoot zegt het 'op niet onvriendelijke toon'.

Stiglitz' tweede geboorte, de geestelijke, vindt plaats in 1969 in Nairobi, Kenya. De tijd op het MIT, de twee Engelse jaren in het kritische Cambridge, het jaar als 26-jarige hoogleraar op Yale University - achteraf beschouwd was het een periode van voorbereiding.

'Omdat je in een ontwikkelingsland bent, word je gedwongen uit het marktdenken te stappen', zegt Stiglitz. Je hoeft in Afrika maar om je heen te kijken om te zien dat er alternatieve ordes bestaan. Als je de neiging onderdrukt om die simpelweg als 'niet-efficiënt' van de hand te wijzen, kun je een nieuw soort economie verzinnen.

Stiglitz zag in het agrarische Kenya het 'deelbouwen', het eeuwenoude systeem waarbij de boer een deel van zijn oogst als vergoeding afstaat aan de landeigenaar. Hij dacht: waarom neemt die landeigenaar die boeren niet gewoon in dienst? Dat de boeren geen huurcontract hebben, begreep hij wel, want de arme boeren kunnen het (klimaat-)risico van de landbouw niet dragen. Maar die landeigenaar kan op het eerste gezicht meer verdienen als hij het klimaatrisico voor eigen rekening neemt. Waarom deelt hij het risico dan met die boeren?

Spoedig begreep Stiglitz dat de grondbezitter gewoon een berekenende ondernemer is. Neemt hij de boeren in dienst, dan haalt hij zich namelijk een kostbaar probleem op de hals. Werknemers moeten in de gaten gehouden worden. De grondbezitter moet kijken of ze de inspanningen leveren waartoe ze contractueel verplicht zijn.

Dus kiest de landeigenaar voor een minder gecompliceerde informatiebasis. Hij kijkt naar de totale productie van de boer, de oogst, en deelt die met hem. Natuurlijk geeft de totale productie de inspanningen van de boer niet goed weer. Met goed weer kan zijn inspanning laag zijn en de productie hoog en met slecht weer andersom. 'Deelbouwen is een compromis dat de boeren wat risico geeft, maar bezuinigt op de informatiekosten. Het is het meest efficiënte systeem omdat iedereen de juiste prikkels heeft.'

Informatieproblemen, zo kwam het Stiglitz voor, zie je overal in de economie. De Amerikaanse aandeelhouder staat tot het bestuur van een onderneming als een Afrikaanse landeigenaar tot een boer. En kijk naar verzekeringsmaatschappijen. Volle dekking van het risico zet vakantiegangers aan tot het 'verliezen' van, zeg, hun camera. Dat doen ze met opzet óf omdat ze slecht opletten omdat ze toch verzekerd zijn - moral hazard in economentaal.

De reisverzekeraar gaat binnen de kortste keren failliet, tenzij hij volledige informatie heeft over het gedrag van de verzekerden en de premie hierop kan afstemmen. Maar volledige informatie is even kostbaar als onbereikbaar. En dus laten de verzekeraars doelbewust informatie liggen bij hun klanten. Klanten mogen een deel van hun informatie houden in ruil voor een eigen risico, een prikkel om zich netjes te gedragen. Net als de Afrikaanse grootgrondbezitter ziet de verzekeringsmaatschappij er vanaf zich volledig te informeren, en draagt de verzekerde, net als de Afrikaanse boer, een deel van het risico.

Verzekeraars zijn vaten vol informatieproblemen. Naast moral hazard bevechten ze, soms tevergeefs, adverse selection. Burgers en bedrijven die weinig schade verwachten (de goede risico's voor de verzekeraar) verzekeren zich liever niet; burgers en bedrijven die veel schade verwachten (de slechte risico's) verzekeren zich graag. Als de goede risico's wegblijven, worden verzekeringen onmogelijk - de Nederlandse overstromingsverzekering bijvoorbeeld, die alleen voor bewoners van de Maas-oever interessant was en daarom niet van de grond kwam. Het probleem is dat verzekerden meer informatie hebben over hun risico's dan verzekeraars.

'Economen spraken ook vóór 1970 over informatie, bijvoorbeeld over informatie als een instrument om onzekerheid terug te dringen', zegt Stiglitz. Maar eigenlijk waren het losse gedachten - gestotter, geen volzinnen.

Stiglitz gaf economen een taal waarin over informatieproblemen kan worden gesproken. Hij deed dit samen met zijn studievriend George Akerlof. Die schreef in India een artikel dat wereldberoemd zou worden, over de markt voor tweedehands auto's onder het informatiemotto: knollen voor citroenen. 'We herkenden een groot aantal verschillende fenomenen als verschijningsvormen van hetzelfde probleem', zegt Stiglitz.

Informatie over het feit dat mensen verschillend zijn (verzekerden bijvoorbeeld, maar ook werknemers); informatie over productverschillen (tweedehands auto's); informatie over verschillen tussen effecten. 'We bouwden concrete economische modellen die toepasbaar waren op al die verschillende markten.' Stiglitz zette de economen een andere bril op. Een feestbril: moral hazard in het ene glas, adverse selection in het andere.

Economen keken hun ogen uit. Zegt een schooldiploma iets over de vaardigheden en productiviteit van een sollicitant? Misschien, maar het diploma leek ineens vooral een goedkoop selectiemechanisme voor werkgevers, een efficiënte manier om aan informatie te komen over potentiële werknemers. Als een hoofd personeelszaken zegt, en dat doen ze steeds vaker, 'een doctoraalbul is niet meer dan een aanwijzing dat de sollicitant geen complete idioot is', dan citeert zo'n man of vrouw zonder het te weten de resultaten van het onderzoek dat Stiglitz opzette in Nairobi.

'Als je nu terugkijkt', zegt Stiglitz, 'realiseer je je dat er inmiddels honderden artikelen en tientallen proefschriften zijn verschenen waarin in essentie hetzelfde staat als in die eerste artikelen uit Nairobi. Maar ze beschrijven allemaal een ander aspect van economisch gedrag. Er is geen markt die simpelweg beschreven kan worden door de oude wet van vraag en aanbod. Soms zijn informatieproblemen van de eerste orde, soms van de tweede, maar er is geen aspect van de economie waarin informatie geen rol speelt.'

Op het MIT discussieerde Stiglitz al met George Akerlof over het feilen van de economie uit de Chicago-school. Informatie-economie gaf Stiglitz de kans deze onvrede met de overheids-schuwe, marktgerichte school in het economisch denken duidelijk te articuleren.

Dat deed hij op twee manieren. De eerste was een aanval op het 'geloofsartikel' van de onzichtbare hand, de metafoor waarmee de achttiende-eeuwse Schotse moraalfilosoof Adam Smith de coördinatie door het marktmechanisme beeldend verwoordde.

Smiths metafoor was, in een twintigste-eeuws wiskundig jasje verpakt, de basis van de Chicago-economie. Stiglitz toonde aan dat de metafoor alleen opgeld doet indien verondersteld wordt dat iedereen over alles volledig is geïnformeerd. Ook moeten er voor alle producten, hier en nu, en daar en in de toekomst, goed werkende markten bestaan - inclusief een markt voor paraplu's op een regenachtige dag in Londen in 2015. Anders gezegd: 'De markt is bijna nooit efficiënt. Er zijn altijd overheidshandelingen denkbaar die sommige mensen een betere positie verschaffen, zonder die van anderen slechter te maken.'

De tweede aanvalslijn concentreerde zich op de informatieproblemen in twee cruciale markten: de arbeidsmarkt en de kredietmarkt. Het motto: de arbeids- en kredietmarkt hoeven niet te ruimen - natuurlijk als gevolg van informatieproblemen.

Moral hazard en adverse selection komen samen in Stiglitz' theorie over lonen. Deze efficiency wage-theorie zegt dat je een productiever personeelsbestand krijgt als je hogere lonen betaalt. Ofwel omdat je de werknemers met het hoge loon prikkelt om harder te werken (ze willen graag bij dat goedbetalende bedrijf blijven), of omdat je door zelfselectie een betere kwaliteit personeel krijgt (alleen hoog-productieve mensen durven te solliciteren).

'De wet van vraag en aanbod wordt hierdoor geweld aangedaan. Ook als er werkloosheid is, houden bedrijven de lonen hoog omdat loonsverlaging minder productieve werknemers aantrekt. De hoogte van het loon werkt als een signaal op de arbeidsmarkt.' De arbeidsmarkt komt hierdoor niet vanzelf in een toestand zonder werkloosheid.

Op de markt voor kredieten is de rente het informatieverschaffende signaal, met even verstorende effecten als het loonsignaal op de arbeidsmarkt. 'Als er veel vraag is naar kredieten, aarzelt de bank toch haar rente te verhogen. Een hoge rente trekt slechte risico's aan, en zet bedrijven ertoe aan meer risico te nemen. Het is het verkeerde signaal.' Banken, zegt Stiglitz in zijn theorie over kredietrantsoenering, houden de rente liever laag en selecteren scherp op de kredietaanvragen. De kredietmarkt ruimt hierdoor evenmin als de arbeidsmarkt.

Informatietheorieën over productmarkten, de arbeidsmarkt en de kredietmarkt - het zijn wat Stiglitz betreft de ingrediënten voor een nieuw soort macro-economie. Maar die macro-economie is niet van de grond gekomen, zegt econoom Harry van Dalen van onderzoeksinstituut Nidi.

'Wordt dat gezegd?' Stiglitz' gulle lach schalt door de lobby van het hotel. 'Is that right?' Ja, zegt de boodschapper van dit slechte nieuws, dat is zo, dat wordt gezegd. 'I see', zegt Stiglitz, met pretoogjes die niet verhullen dat hij van zijn à propos is gebracht. 'Ik wil niet vijandig klinken . . .', zegt hij dan. Maar hij bedenkt zich.

Het is gecompliceerd, moeten we begrijpen. De kritiek is gedeeltelijk terecht. 'Ik heb de stukken beschreven waaruit het model zou moeten bestaan. Ik heb kleine, simpele macro-economische modelletjes gemaakt. Maar een model dat een groot aantal macro-economische fenomenen beschrijft . . . Ik heb al wel zo'n model gemaakt. Maar het is niet geschreven in een vorm waarin het gemakkelijk aan de man te brengen is. Het is veel gecompliceerder dan de modellen die economen gewend zijn.'

Lans Bovenberg, onderdirecteur van het Centraal Planbureau beaamt dit. Hij typeert Stiglitz als 'iemand die de wereld wil begrijpen, niet iemand die de wereld wil veranderen'. Bovenberg bewondert Stiglitz vooral omdat hij probeert de problemen in de macro-economie, werkloosheid voorop, te onderbouwen met zijn micro-economische informatie-economie. 'In dit opzicht is hij een pionier. Stiglitz vraagt zich steeds af waar het zand in de machine vandaan komt. Dat blijkt niet zo gemakkelijk te verklaren als Keynesianen in de jaren zestig en zeventig dachten. Stiglitz' antwoorden zijn beter en zijn ideeën worden op het Planbureau ook gebruikt. Onze studie naar de institutionele verschillen tussen Nederland en Duitsland staat vol Stiglitz-economie.'

Stiglitz ging zijn ideeën achterna de beleidswereld in. Hij stapte onlangs over naar de Wereldbank. Hij zou liever zijn teruggegaan naar zijn universiteit, Stanford, om weer een paar jaar voltijds onderzoek te kunnen doen. Maar, zegt hij 'het leven belt niet altijd op het moment dat het gelegen komt'. Bovendien moest hij sterk terugdenken aan Nairobi, zijn geestelijke geboorteplaats. 'Ontwikkelingsproblemen zijn de meest uitdagende in de wereld.'

Meer over