De euro kan straks meer kapot maken dan ons lief is

Het afgelopen weekeinde is Europa aan het grootste waagstuk uit zijn geschiedenis begonnen: de invoering een gemeenschappelijke munt. Josef Joffe is weinig gerust op de goede afloop....

JOSEF JOFFE

OP 1 JANUARI 1999 zullen de munteenheden van elf leden van de Europese Unie onherroepelijk aan elkaar worden vastgeketend en op 1 januari 2002 zullen marken, guldens en francs definitief verdwijnen. Daarna resten ons slechts euro's en eurocenten.

Dat de euro een grote gok is, kan met verschillende argumenten worden gestaafd. Om te beginnen willen de meeste Europeanen er niets van weten; al jaren blijkt uit opiniepeilingen dat een grote meerderheid tegen dit 'esperanto-geld' is of uitstel wenselijk acht.

Vervolgens kunnen we wijzen op het verleden, dat de twijfels aan het welslagen van het euro-project bevestigt. Want wie herinnert zich nog de Latijnse Monetaire Unie? Of de Scandinavische Unie? Of de Oost-Afrikaanse shilling van Kenia, Tanzania en Oeganda?

Ze waren geen lang leven beschoren omdat de lidstaten deden wat landen altijd doen: na verloop van tijd kozen ze op fiscaal en monetair terrein voor het eigenbelang en lieten ze zich weinig meer gelegen liggen aan de knellende banden van de muntunie.

Ten slotte zal het een herculische taak zijn om de EMU tot een succes te maken, omdat dat Europa zou dwingen op korte termijn het Amerikaanse model geheel of gedeeltelijk over te nemen. Dat betekent dat de EU zich zal moeten ontpoppen als een politieke unie met een gemeenschappelijke identiteit en de bijbehorende onderlinge solidariteit, en/of als een neo-liberaal paradijs, dat wil zeggen als een gemeenschappelijke markt met een minimum aan heffingen, regels en beperkingen.

De elf leden van de euroclub geven op een aantal fundamentele punten hun soevereiniteit op. Niet langer kunnen ze hun munt goedkoper maken om het investeringsklimaat te verbeteren en de export te bevorderen of het begrotingstekort laten stijgen om de consumptie te stimuleren. Ze zitten vanaf nu in een strak keurslijf.

Maar wie over economie spreekt, spreekt over permanente verandering. De vraag is hoe de nationale regeringen zullen reageren op de gevolgen van een 'asymmetrische schok', dat wil zeggen een economische ramp die een bepaald lid van de unie harder treft dan de andere.

Zonder monetaire beleidsinstrumenten en met slechts beperkte fiscale beleidsruimte zijn er in zo'n geval alleen oplossingen mogelijk die, om het zo maar eens te zeggen, nogal on-Europees zijn.

Een voorbeeld: in Noord-Frankrijk neemt de werkloosheid plotseling een schrikbarende omvang aan. Als het in Europa net zo ging als in de VS, zouden in dat gebied de lonen dalen, wat nieuwe investeerders zou aantrekken en nieuwe banen zou opleveren. Maar men doet in Europa, en zeker in Frankrijk, niet graag aan loonsverlaging; lonen bewegen zich uitsluitend in opwaartse richting. Ook zijn er door alle nationale collectieve arbeidsovereenkomsten geen grote regionale salarisverschillen mogelijk.

Een andere oplossing is dat net als in Amerika de werknemers de banen opzoeken als de banen niet naar de werknemers komen. Maar Europeanen zijn niet zo mobiel, niet binnen hun eigen land en zeker niet van Frankrijk naar Denemarken. Men is hier gewend dat voor kwijnende bedrijfstakken de subsidiekraan wordt opengedraaid, waardoor de werknemers kunnen blijven waar ze zijn.

Een derde mogelijkheid is grootschalige steun vanuit Brussel, ook weer vergelijkbaar met zoals dat in de VS gebeurt. Wanneer het slecht gaat in het Midden-Westen, treden er onmiddellijk allerlei stabiliserende mechanismen in werking. Washington verlaagt de belastingdruk en uit allerlei speciale fondsen wordt geld in het gebied gepompt.

Maar voor dit laatste is meer nodig dan louter en alleen een monetaire unie. Het vraagt om een politieke unie, dat wil zeggen een centrale regering, een soort van gedeelde identiteit en vooral een gevoel van verbondenheid, dat er tussen bijvoorbeeld Belgen en Portugezen nu eenmaal niet is.

Bovendien kan de EU maar 1,7 procent van het Bruto Binnenlands Product aan belastingen heffen, waardoor de mogelijkheden tot herverdeling, vergeleken met de ruime middelen die de nationale overheden ter beschikking staan, lachwekkend klein zijn.

De euro is dus meer dan een waagstuk; er zal een ware revolutie nodig zijn om het project te laten slagen. Nu de elf deelnemers een groot deel van hun economische speelruimte hebben opgegeven, moet Europa afscheid nemen van zijn gekoesterde tradities van corporatisme en centraal overleg en de markt vrij spel geven, zodat door bijvoorbeeld loonsverlaging en een grotere arbeidsmobiliteit vraag en aanbod op de Europese arbeidsmarkt beter op elkaar afgestemd raken.

Europa zal ook moeten inzien dat het paard niet achter de wagen gespannen kan worden, met andere woorden dat monetaire eenwording zonder politieke eenwording - een Verenigde Staten van Europa - niet mogelijk is.

Ook hierin is de geschiedenis van de Verenigde Staten van Amerika instructief: In 1787 kwam er al een gezamenlijke grondwet (de Constitution) maar pas in 1913 werd via de invoering van het Federal Reserve System de monetaire eenwording voltooid. Dat hele proces heeft dus 126 jaar geduurd. Maar Europa denkt in 2002 alles in kannen en kruiken te hebben.

Als het waagstuk van de euro mislukt, zal het veel kapot maken van wat de laatste vijftig jaar in EUropa tot stand is gebracht.

Josef Joffe is redacteur van de Süddeutsche Zeitung.

The New York Times

Vertaling: Harrie van der Meulen

Meer over