De duivel van het Italiaanse bankwezen

Enrico Cuccia (92) is het brein achter het vijandige bod van Generali, Italië's grootste verzekeraar, op INA, de nummer drie in de branche....

ENRICO CUCCIA, ere-president van de Italiaanse zakenbank Mediobanca, loopt een beetje voorovergebogen. De houding heeft niets met zijn hoge leeftijd te maken. Rechtop gaat al heel lang niet meer omdat, zo wil de anekdote, de 92-jarige bankier 'zo vaak en hard heeft moeten lachen om de pissers die hem willen belazeren, dat zijn familiejuwelen in de knoop zijn geraakt'.

De afgelopen dagen en komende weken staat tot in Amerika zijn gebogen gestalte opnieuw in alle kranten. Cuccia is het brein achter wat menselijkerwijs gesproken een van zijn laatste grote coups moet zijn: het vijandige bod van Generali, Italië's grootste verzekeraar, op INA, de nummer drie in de branche.

Niet de hoogte van het bod - wat is tegenwoordig 27 miljard gulden - maar de omstandigheden en gevolgen van de operatie zijn voor Italië zo spectaculair, dat er gesproken wordt over de 'tweede financiële oorlog'. De complete financiële industrie, naar Europese begrippen redelijk antiek, wordt herschikt. Oude machtsverhoudingen verdwijnen. Buitenlandse concurrentie slaat toe. Of, zoals premier D'Alema, de postcommunist, onlangs tegen mokkende partijgenoten riep: 'Beter Cuccia dan Agnelli!'

INA, 'Istituto Nazionale delle Assicurazioni', was tot begin jaren negentig een geprivilegieerd staatsbedrijf, gespecialiseerd in levensverzekeringen voor overheidspersoneel. Sinds enkele maanden werkt de verzekeraar aan een fusie met Sanpaolo Imi, de grootste handelsbank van Italië en huisbankier van de Agnelli's.

Umberto Agnelli, ooit door Mediobanca de voet dwars gezet toen hij dacht zijn oudere broer Giovanni als topman van Fiat te kunnen opvolgen, veroordeelde deze week als eerste de overnamepoging van Generali. Sanpaolo Imi blijft zogenaamd onverstoorbaar verder werken aan een fusie met INA. In beide bedrijven heeft de door Umberto Agnelli geleide familieholding IFIL een belangrijk aandeel.

In werkelijkheid studeert Agnelli op een verwoestende tegenslag. De Agnelli's contra Cuccia, die openlijk wordt gedekt door de regering in Rome. Cuccia, zo meent premier D'Alema, kan Italië moderniseren voordat de Deutsche Bank, ING of Chase Manhattan op de stoep staan. Oorlog dus.

De eerste financiële oorlog, nog geen kwartaal geleden, werd gewonnen door Olivetti. Toen ging het om echte bedragen. De mislukte computerfirma die zelf geen stuiver bezit, kocht voor 133 miljard gulden de zevenmaal grotere voormalige nationale telefoonmaatschappij, vooralsnog de grootste bedrijfsovername van Europa. De adviseurs kwamen van Wall Street, investment bankers met klinkende namen, experts op het gebied van al of niet vijandige annexaties.

Op het thuisfront adviseerde Enrico Cuccia. Hij was als eerste op de hoogte van de plannen. Hij steunde de 'wilde bende', een groep ondernemers in en rondom Olivetti, die nu eens niet behoorde tot de salotto buono, letterlijk: de fijne salon, het financiële establishment. Cuccia informeerde de regering in Rome, zoals hij ook nu, begin deze maand, tweemaal audiëntie vroeg en kreeg bij D'Alema voor tekst en uitleg over de komende overval van Generali.

'Men moet niet denken dat het hier om schaalvergroting gaat, of trendy globaliseren. Het gaat puur om de interne machtsverhoudingen. Cuccia ziet zijn kans schoon voor een afrekening met de Agnelli's.' Dat zei een anonieme analist afgelopen voorjaar, toen de slag was gestreden en Giovanni Agnelli (78), ondergod van Italië, 's avonds laat na een vergadering van de Telecom-commissarissen moest erkennen dat zijn verzet tegen Olivetti was gebroken.

Het oude systeem, waarin hij en een handvol overige patriarchen beslisten wat goed of slecht was voor Italië was gebroken. De Agnelli's moesten buigen voor het echte kapitaal, tot voor kort uitgesloten van de Italiaanse beurs. Grote buitenlandse pensioenfondsen, die dagelijks miljarden verschuiven en ook in Telecom hadden belegd, roken een buitenkans en verkochten hun aandelen met hoge winst aan Olivetti. Het controlerende minderheidsbelang van de Agnelli's in Telecom was ineens waardeloos.

En Cuccia? Hij heeft waarschijnlijk zo gelachen, dat-ie nog krommer ging lopen.

Hij werd opnieuw gefotografeerd. Niet tijdens interviews of een persconferentie - aan beide doet hij uit principe niet -, maar tijdens zijn dagelijkse wandeling naar Via Filodrammatici nummer 10 in Milaan, een legendarisch adres voor iedereen die in Italië zaken-in-het-groot wil doen. Naamplaatje, hoe bescheiden ook, ontbreekt.

Achter La Scala, de Milanese Opera, zetelt Mediobanca, een zakenbank die onder leiding van Cuccia al gecompliceerde overnames regelde toen de grote jongens van nu nog geen aandeel van een obligatie konden onderscheiden. Voor hen heeft Cuccia nog steeds twee gouden tips paraat: 'Alleen een man met contanten weet van wanten', en, 'aandelen moet je niet tellen, maar wégen'.

Deze twee citaten duiken zo vaak op in het vuistdikke dossier dat in korte tijd over de man kan worden aangelegd, dat ze wel moeten kloppen. Evenals de kwalificatie 'pisser', een uit het Siciliaans dialect vertaald scheldwoord, dat door Cuccia al in de jaren dertig werd gebruikt, toen hij in de toenmalige Italiaanse kolonie Ethiopië als ambtenaar van Financiën op het spoor kwam van een geldwitwasoperatie door collega's uit Rome.

In Italië, waar net als in Nederland iedereen met een stropdas 'dottore' (doctorandus) is, worden Beroemde Landgenoten met een echte titel aangeduid. Zo is ex-premier Prodi, de nieuwe president van de Europese Commissie, Il Professore. Giovanni Agnelli, ook met zoveelste blondine, heet altijd L'Avvocato. En als de pers het heeft over Il Cavaliere weet iedereen dat het om Berlusconi gaat. L'Ingegnere, de Ingenieur, is Carlo de Benedetti.

Naar de beste tradities van Machiavelli heeft Enrico Cuccia niet één, maar twee titels. Il Maestro delle Marionette, poppenspeler, hij die aan de touwtjes trekt, en, iets korter en beter voor de krantenkoppen: Il Diavolo, de duivel. Voor The Observer uit Engeland is hij, vorig jaar nog, 'de Deng Xiaoping van de Italiaanse bankwereld'.

'De duivel' heette het weer in april dit jaar, de dag naar de jaarvergadering van Generali, het verzekeringsconcern waarin Mediobanca een klein, maar controlerend belang ('niet tellen, maar wégen') heeft. In het heetst van de strijd om Telecom ontging het menigeen op Piazza Affari, de effectenbeurs in Milaan, dat bestuursvoorzitter Antoine Bernheim aan de kant werd gezet. Bernheim is Fransman, partner in de Frans-Amerikaanse zakenbank Lazard Frères, die op haar beurt weer gelieerd is met Mediobanca.

Bernheim was vanwege deze speciale relatie tevens vice-voorzitter van Mediobanca, en door de jaren heen bevriend geraakt met Cuccia. 'Hij verwijt mij verraad, maar in werkelijkheid heeft hij mij verraden', riep een geschokte Bernheim nadat hij in april uit Generali was gezet. Zijn opvolger heet Alfonso Desiata, intimus van Cuccia. Samen begonnen ze aan de voorbereidingen van een operatie die Italië écht door elkaar zal schudden: de overval op INA.

Bank- en verzekeringsmarkt zijn nog steeds hopeloos versnipperd en antiek. Niet alleen vanwege de euro, maar ook door de komende sanering van het pensioenstelsel - steeds meer Italianen zullen zich particulier moeten verzekeren; bedrijven kunnen niet langer de pensioenpremie van hun personeel gebruiken voor goedkope investeringen - zijn ingrijpende veranderingen in de financiële industrie onvermijdelijk.

CUCCIA LEIDT Mediobanca sinds de oprichting in 1946, direct na de Tweede Wereldoorlog. De opdracht luidde het financieren van de wederopbouw. De belangrijkste aandeelhouders waren en zijn nog steeds Credito Italiano, Banca Commerciale Italiana en Banca di Roma, de instelling waarin ABN Amro eerder dit jaar voor 1,5 miljard een belang van 8,5 procent verwierf. De Nederlanders zijn dus indirect tevens mede-eigenaar van Mediobanca.

Echt groot is de bank niet. Inclusief portiers en koffiedames werken er driehonderd mensen, het balanstotaal bedraagt circa dertig miljard en de winst komt nooit boven de 500 miljoen. De macht is evenwel immens. Via kleine deelnemingen, kruis- en dwarsverbanden ontgaat de bank niets.

Cuccia ontpopte zich tot een echte survivor in een land waar in de herfst niet alleen de blaadjes en effectenkoersen vallen, maar tevens de regering - de laatste nog in de herfst van 1998, toen Il Professore (Prodi) ten val werd gebracht. Ook in Cuccia's directe omgeving regende het slachtoffers.

Bankier Sindona, door de VS aan Italië uitgeleverd, dronk in de gevangenis van Cuccia's geboortestad, Palermo, een espresso met dodelijk gif. Roberto Calvi, eveneens bankier, werd hangend onder een brug in Londen gevonden, met zware stenen in zijn driedelig streepjeskostuum. En Raul Gardini, in de jaren tachtig door Cuccia bewonderd als redder van het chemieconcern Montedison, pleegde zelfmoord in zijn Milanese appartement.

Uiteraard heeft Cuccia persoonlijk niets te maken met deze dodelijke ongevallen, maar het geeft wel aan hoe geweldadig het Umfelt kan zijn. De Italiaanse financier Gianni Varasi, die zo onverstandig was met Cuccia van mening te verschillen over de schuldensanering bij Montedison, verwoordde zijn ervaring aan de Via Filodrammatici als volgt: 'Ik wist dat de haute finance geen debutantenbal is, maar ik had nooit gedacht dat het eraan toegaat als in een bordeel in Tanger.'

Er is ook nog een mevrouw Cuccia, dochter van Cuccia's eerste patroon, Alberto Beneduce, oprichter in de jaren twintig van de staatsholding Iri, die veel later mede door Cuccia weer zou worden geprivatiseerd. De voornaam van mevrouw Cuccia luidt Idea Nuova, Nieuw Idee. Wie zo'n meisje op de kop kan tikken, moet wel bijzonder zijn.

Meer over