CPB doet nuttig werk, maar schiet toch tekort

In Duitsland bestaan zes economische instituten die zich bezighouden met beleidsanalyses. In Nederland twee en dat schijnt al te veel te zijn, constateert E....

MINISTER Wijers en zijn secretaris-generaal Geelhoed waren in mei 1995 blij met de geboorte van NYFER, de nieuwe collega van het Centraal Planbureau. Waarom ook niet? In Duitsland werken zes economische instituten al vele jaren samen, ondanks het feit dat het instituut in Kiel wat meer voor de vrije markt pleit en dat in Berlijn veel meer Keynesiaans is georiënteerd.

Als de Duitse zes vriendschappelijk kunnen concurreren, is er in Nederland toch wel plaats voor twee? Blijkbaar niet volgens Volkskrant-redacteur Frank Kalshoven, want die schrijft in zijn column van zaterdag 3 mei dat NYFER het niveau van het maatschappelijk debat over economie alleen maar omlaag haalt.

Het doel van NYFER is om economisch onderbouwde adviezen over maatschappelijk belangrijke vragen te geven, en tijdens de rit van het kabinet-Kok I is al gebleken dat zeker de volgende vier weerbarstige thema's kunnen profiteren van meer wetenschappelijke studie.

Allereerst de de zorgsector. NYFER concludeerde begin 1996 dat vooral de zorg voor bejaarden een steeds groter probleem zou worden, knellender nog dan bijvoorbeeld de financiering van de AOW. Die voorspelling is uitgekomen, maar een beter financieel kader voor de totale zorgsector is niet één, twee, drie ontworpen.

Inmiddels hebben het Sociaal en Cultureel Planbureau en het CPB een eerste versie gepubliceerd van een economisch model. NYFER komt dit najaar met een rapport over de intramurale zorg.

Als tweede onderwerp noem ik het grote-stedenbeleid en de woningmarkt. Wijken in Rotterdam, Den Haag en andere steden dreigen steeds verder achteruit te gaan. Bestaat dan het juiste recept uit kostbaar slopen onder leiding van de woningcorporaties of zijn er heel andere oplossingen?

In de Randstad is grote-stedenbeleid complementair aan bescherming van het Groene Hart en dat ligt zó gevoelig bij tenminste vier verschillende ministeries, dat het niet eenvoudig is voor een ambtelijke instantie als het CPB om op dit punt taboedoorbrekend, wetenschappelijk werk te doen.

Een derde belangrijk onderwerp is de actie tegen de werkloosheid. We weten dat werkloosheid vooral, maar niet uitsluitend, een probleem is voor laaggeschoolden, ouderen en sommige groepen allochtonen. Eindeloze loonmatiging is een veel te simplistisch recept om die groepen echt te helpen.

Het zou het daarom jammer zijn wanneer het CPB ook de verkiezingsprogramma's voor 1998 nog zou doorrekenen met een rekenmodel waarin onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen de kansen op de arbeidsmarkt van verschillende groepen werknemers. Zulke berekeningen zouden dan nogmaals leiden tot een sterke nadruk op loonmatiging met te weinig ruimte voor actief arbeidsmarktbeleid in de vorm van financiële steun aan werkgevers én werknemers.

In 1995 pleitte NYFER al voor een grotere rol voor de gemeenten, met meer bevoegdheden om uitkeringsgeld om te zetten in werk. Intussen gaat het beleid ook duidelijk die kant op. In juni volgen nieuwe berekeningen voor alle grote steden en provincies met een rekenmodel dat gedetailleerd onderscheid maakt naar niveau van de baan en scholing van de werknemer.

Voor deze drie onderwerpen presenteert NYFER analyses die verschillen van het CPB, maar wel gebruik maken van het vele, goede werk dat het Planbureau doet. Dat zijn dan wel bijna altijd de speciale rapporten die voor ons veel nuttiger zijn dan de uitkomsten van de rekenmodellen.

In Economisch Statistische Berichten, het Nederlandse vakblad voor economen, zie ik hetzelfde patroon: veel verwijzingen naar het Planbureau, maar weinig naar de rekenmodellen. Daar wringt ook de schoen bij de aanvaring tussen het CPB en NYFER over een vierde, belangrijk onderwerp, namelijk de investeringen in Betuwelijn, Schiphol en een tweede Maasvlakte: het Planbureau doet nuttig werk, maar het rekenmodel kan tekort schieten.

Steeds beginnen de economen bij het Planbureau met het verzamelen van informatie: hoeveel treinen rijden straks over de Betuweroute, hoe populair wordt Schiphol, en hoe krap is de ruimte in de Rotterdamse haven? Dan wordt een schatting gemaakt van de werkgelegenheid in en om zo'n groot project, inclusief leveranciers en klanten. Keer op keer blijkt daarna dat het betreffende project op zich niet genoeg winst maakt om de enorme kosten te rechtvaardigen.

Hoe berekent dan het Planbureau de totale effecten voor ons land van Betuwelijn, Schiphol en de tweede Maasvlakte? Het gebruikte rekenmodel heeft honderden variabelen, maar niet één daarvan meet de omvang van de huidige of toekomstige infrastructuur.

Noodgedwongen is de berekening daarom erg indirect, zo zeer zelfs dat prof. Jacob de Haan aan de Universiteit van Groningen in een recent overzichtsartikel zes pagina's literatuur citeert over havens, spoorbanen et cetera, maar het rekenmodel van het Planbureau in één zin afdoet met de opmerking dat cijfers over overheidsinvesteringen daarin geen enkele rol spelen.

Het rekenmodel van het CPB komt steeds tot de conclusie dat Betuwelijn, uitbreiding van Schiphol, tweede Maasvlakte, of welk ander groot project ook uiteindelijk geen positief effect heeft op de werkgelegenheid. Kalshoven heeft dezelfde benadering.

Planbureau-directeur Henk Don verdedigt met overtuiging deze sombere uitkomsten van zijn rekenmodel en meent bijvoorbeeld ook dat destijds het Noordzeekanaal en de Nieuwe Waterweg niets duurzaams hebben bijgedragen tot de werkgelegenheid.

Kan dat correct zijn? Ik geloof van niet. Lagere loonkosten hebben, ook volgens het rekenmodel, wel degelijk een duurzaam effect op de werkgelegenheid, en terecht, want Nederlandse bedrijven kunnen dan beter concurreren met het buitenland. Goede infrastructuur werkt net zo. Door een beter telefoonnet, bijvoorbeeld, kunnen de correspondenten van de Volkskrant hun artikelen tegenwoordig e-mailen en dat verhoogt hún productiviteit en die van de redactie in Amsterdam. Hogere productiviteit bij een gelijk loon komt economisch op hetzelfde neer als lagere loonkosten en draagt dus wel degelijk bij tot méér werkgelegenheid.

Het kabinet-Kok heeft zich tot nog toe weinig gelegen laten liggen aan de negatieve prognoses van het Centraal Planbureau. Ik kan me geen onderwerp herinneren uit de afgelopen 20 jaar waarin het kabinet zo nadrukkelijk en voor zulke enorme bedragen de analyse van het Planbureau naast zich neerlegt.

Dat bemoeilijkt helaas de collegialiteit tussen Planbureau en NYFER, omdat wij voor dit onderwerp andere wetenschappelijke methoden aanbevelen en vooral veel intensiever willen leren van internationale ervaringen. Ook in het politieke debat krijgt die internationale dimensie steeds meer nadruk: Schiphol moet kijken naar Londen en Frankfurt, en de Rotterdamse haven concurreert met Hamburg.

Dezelfde discussie speelde op een bijeenkomst op 16 april over Maasvlakte II. Mijn lezing ging dan ook vooral over internationale lessen voor Rotterdam. Ongelukkigerwijs bevatte de bijbehorende documentatie echter een fout. Kalshoven noemde in zijn column zowel het oorspronkelijke citaat als onze incorrecte weergave.

Hoewel de gesproken tekst correct was, bevatte de drukproef per abuis een fout in een citaat van Planbureau-directeur Henk Don. Toen wij een week na mijn lezing op deze fout werden geattendeerd, heb ik vanzelfsprekend collega Don onmiddellijk excuus aangeboden. In de handelsuitgave is overigens het goede citaat opgenomen.

Zodra Henk Don mijn excuses accepteert, kunnen Planbureau en NYFER een vruchtbare discussie hebben die tot meer wetenschappelijk inzicht leidt, niet alleen over de infrastructuur, maar even zeer over de zorgsector, de grote steden en de bestrijding van de armoede.

Ook bij het evalueren van de programma's van politieke partijen voor de verkiezingen van 1998 is collegiale afstemming met het Planbureau aangewezen. Dit in de geest van Don's voorganger, en mijn vroegere collega uit Rotterdam, Planbureau-oprichter prof. Jan Tinbergen, niet alleen een origineel geleerde, maar ook een hoffelijk en verzoeningsgezind mens.

Eduard J. Bomhoff is directeur van onderzoeksinstituut NYFER.

Meer over