Bust or boom

Het pond sterling stijgt en stijgt. Leuk voor de Britten die een tweede huisje in Frankrijk willen kopen. Maar een gruwel voor exporterende bedrijven: hun producten worden te duur....

BERT WAGENDORP

ECHT een buitenkansje: centraal-Bretagne, bij Pontivy. Midden in het centrum van een groot dorp, op loopafstand van de lokale bar en supermarkt, voorzien van alle gemakken. Zitkamer, open keuken, nieuwe badkamer, twee dubbele slaapkamers, 45 minuten van het strand. Vraagprijs: 32.500 pond. Informatie: La Résidence, 27 High Street, Benson, UK.

Met La Résidence, The French property people, gaat het uitstekend, dankuwel. De tweede huisjes op het Franse platteland zijn niet aan te slepen. Alsmaar goedkoper worden ze, in ponden althans. Het huis bij Pontivy had anderhalf jaar geleden nog 45 duizend pond moeten opbrengen.

'Toen kreeg je voor een pond nog zeven franc', legt Christine Hilton van La Résidence uit, 'nu precies tien. Dus voor een Engelsman is de Franse onroerend-goedmarkt 30 procent goedkoper geworden. Je begrijpt dat we het druk hebben.' De afgelopen achttien maanden zag de makelaar zijn omzet verdubbelen.

Hilton: 'Het ideaal van een cottage op het Franse platteland is nu binnen bereik van mensen die er een paar jaar geleden niet eens aan dachten. Ze kopen overal, als gekken. '

Chris Burns, directeur van AVO International, producent van elektronische apparatuur, is minder enthousiast. AVO International, gevestigd in Dover, exporteert 65 procent van zijn productie, waarvan een belangrijk deel naar Europa. 'De stijging van het pond betekent dat onze prijzen op die markt in anderhalf jaar met 30 procent zijn gestegen. 'We kunnen onze prijzen verlagen en marge verliezen, maar ons marktaandeel vasthouden óf we kunnen marktaandeel opgeven.' AVO, met 260 werknemers, kiest voorlopig voor de eerste optie.

Want, zegt Burns, het hoge pond is een 'tweesnijdend zwaard'. Niet alleen neemt de concurrentie op de exportmarkten toe, ook op de Britse thuismarkt wordt de strijd heviger. 'Europese bedrijven zien de Britse markt nu als een zeer kansrijke.'

De Britse exportsector en de vakbonden schreeuwen moord en brand. John Monks, algemeen secretaris van de overkoepelende industrievakbond TUC, waarschuwde vorige week dat, als de rente in Groot-Brittannië niet heel snel daalt, honderdduizend banen op de tocht staan.

In de opmars van het pond sterling spelen twee factoren een rol. In augustus 1996 begon de munt, onder invloed van de zich voorspoedig ontwikkelende Britse economie, razendsnel te stijgen ten opzichte van valuta als de D-mark, de aan die munt gekoppelde gulden, de Franse franc en de lire.

Om de boomende Britse economie voor oververhitting te behoeden, de consumentenbestedingen enigszins in de hand te houden en het gevaar van stijgende inflatie te beteugelen, was verhoging van de rente onvermijdelijk. En elke renteverhoging werkte op het pond als doping op een Vlaamse klepper - wielrenner.

De tweede factor was de nadering van de euro. Het pond sterling, dat voorlopig buiten de EMU zal blijven, ging voor beleggers fungeren als een zekerheidje.

'Er is sprake van push and pull', zegt Jeffrey Wood, hoogleraar economie aan de Business School van City University in Londen. 'De pull is de redelijk verantwoorde monetaire politiek die de afgelopen jaren in dit land is gevoerd. De push is de monetaire unie. Iedereen zegt wel dat die stabiel gaat worden, maar iedereen weet ook dat er grote risico's aan zijn verbonden. Dat heeft het pond tot een veilige haven gemaakt. '

'De markten houden van het pond', zegt Tom Smith-Hughes, economisch onderzoeker bij bank NatWest. 'Ze krijgen in Groot-Brittannië een betere rente én een steeds maar stijgend pond. Dat is dubbele winst. Een overheid kan daartegen weinig doen, je kunt de strijd met de markt niet aangaan. Je kunt hooguit proberen hem te beïnvloeden.'

Gordon Brown liet, toen hij vorige week zijn begroting presenteerde, zelfs dat laatste na. De industrie hoopte dat hij met een verhoging van de belastingen de noodzaak voor een volgende renteverhoging zou wegnemen. Maar Brown verlaagde alleen maar belastingen.

'Het zakenleven zal het zelf moeten opknappen', zei minister voor Handel en Industrie Margareth Beckett deze week. 'De overheid kan niets aan de hoge stand van het pond sterling doen, zonder de economie op langere termijn schade toe te brengen. Exporteurs zullen hun kwaliteit moeten verhogen en moeten zoeken naar minder prijsgevoelige markten.' De Conservatieve oppositie hoonde de minister weg, en wees op de ontwikkeling van de handelsbalans: een overschot van vijftien miljard in 1996, een tekort van 22 miljard in 1999.

Op 8 en 9 april komt het Monetary Policy Committee, de raad van acht wijze mannen - onder wie de Nederlandse hoogleraar Willem Buiter - weer bij elkaar om de rente te bekijken. Vermoedelijk kan de commissie weinig anders doen dan er maar weer een kwart puntje bij te doen om de inflatiedoelstelling op koers te houden. Zodat de rente op 7,5 procent komt, de kloof met de Europese rentestanden groeit, en het pond weer een schop omhoog krijgt.

De stijgende rente en het meestijgende pond sterling raken vooral de industriële sector, die ongeveer 23 procent van de economie uitmaakt. De sector verkeert inmiddels op de rand van een recessie. In vijf van de afgelopen zes maanden ging de totale productie naar beneden.

Economen zijn het er niet over eens of een recessie in de industriële sector zal leiden tot een recessie in de Britse economie als geheel. Smith-Hughes: 'Het is niet uitgesloten dat het stijgende pond tot een algemene recessie leidt.'

De Britse economie heeft een bijna ongekend lange periode van bloei achter de rug. Maar liefst 23 achtereenvolgende kwartalen was er groei, vier kwartalen langer dan het vorige record van negentien kwartalen, tussen 1984 en 1990. Gedurende de lange mars werden 1,4 miljoen banen gecreëerd en daalde de werkloosheid tot onder de 5 procent.

Maar de signalen wijzen erop dat de top van de golf is bereikt, en dat de neerwaartse beweging is ingezet. De groei in consumentenbestedingen nam in februari af, de banengroei stagneert. De vraag is alleen of de economie een 'zachte landing' zal maken, of dat er, naar de beste Britse tradities, sprake zal zijn van een echte crash.

De heilige missie van de nationale kasbewaker Gordon Brown is, zegt hij zelf, het beëindigen van deze aloude Britse economische gewoonte. Veel sterker dan de continentale, is de Britse economie traditioneel onderhevig aan sterke schommelingen, aan boom and bust. Browns voorzichtige monetaire en fiscale politiek is vooral bedoeld om de economische cycli geleidelijker te laten verlopen. Of dat lukt, is de vraag. 'Door de hoge stand van het pond is het risico van een harde landing toegenomen', zegt Garry Young, van het Nationale Instituut voor Economisch en Sociaal Onderzoek.

Gelukkig voor Brown hebben economen iets weg van weermannen: echt zeker weten doen ze het nooit. Tegenover elke zwartkijker die regen voorspelt, staat een optimist die de zon ziet schijnen. Zoals Jeffrey Woods. 'Honderdduizend banen weg? Onzin. Het hoge pond kost helemaal geen banen. Bangmakerij is het. Exporteurs zijn net boeren: altijd klagen. Voor de banen die er in de exportsector verdwijnen, komen er in de importsector banen bij. Want daar profiteren ze van het hoge pond.'

Walter Hasselkus, topman van autofabrikant Rover en lid van de raad van bestuur van Rover-moeder BMW, weet alles van de twee keerzijden van het dure pond sterling. Vorige week predikte hij hel en verdoemenis over de munt. Die had Rover - dat 68 procent van de productie exporteert - door zijn onbehoorlijk hoge waarde 'honderden miljoenen ponden' gekost. 'Groot-Brittannië moet zo snel mogelijk deel gaan uitmaken van de EMU', zei Hasselkus, 'dan zijn we van dit soort fluctuaties af.'

Een paar dagen later moest de Duitser echter toegeven, dat BMW helemaal niet zo treurt om de dure Britse munt. Want de verliezen bij Rover werden meer dan goedgemaakt door de extra winsten die BMW zelf in Groot-Brittannië had behaald. 'BMW viert hier feest', zei Hasselkus.

Renault deelde vorige week mee dat de Britse markt voor haar in 1997 de lucratiefste was geweest. Door de prijzen in ponden gelijk te houden, verdubbelden de Fransen hun winst in francs.

Economen zijn het erover eens dat de reële koersverhouding tussen pond en D-mark ligt op rond de 2,60 mark voor één pond. Dat is bijna 45 pfennig lager dan nu. Maar wat is reëel in de onzekere wereld van de economie?

Tom Smith-Hughes: 'Over 1999 verwachten wij nog een economische groei van één procent. Eind 1999 zal de rente zijn gedaald naar 5,5 procent. De Britse betalingsbalans verslechtert en de crisis in Azië zal zeker ook zijn invloed nog laten gelden.

'Dat alles zal ongetwijfeld gevolgen hebben voor het pond.' Die zal, verwacht Smith-Hughes, tegen die tijd gaan dalen richting van 2,70 D-mark.

Maar Jeffrey Wood moet het allemaal nog zien. 'Veel zal afhangen van de rente in Europa als de euro van start gaat. Als die rente, zoals de verwachting is, rond de 3,5 procent komt, blijft het verschil met de rente in Groot-Brittannië groot, ook al daalt die. Ik ga ervan uit dat het pond voorlopig nog heel sterk zal blijven.'

Christine Hilton van La Résidence (geen economische opleiding): 'Ik zou zeggen: nu kopen. Want straks zijn alle leuke huisjes in Frankrijk weg.'

Meer over