Brave nieuwe wereld

De crisis is een keerpunt, dat weten we inmiddels wel. Maar kunnen we inmiddels ook al zien welke richting het uitgaat?...

Goed, Hij is nog steeds niet voorbij. Maar ook Hij nadert een einde, en daarna zal de wereld een betere wereld zijn, en de mens een betere mens. Tenminste, dat werd beweerd toen Hij net was uitgebroken.

Voormalig bankier Herman Wijffels en historicus Frank Ankersmit waren de eersten die aankondigden dat de kredietcrisis ons uiteindelijk vooral voorspoed zou brengen. Op 4 oktober 2008, de crisis had zojuist Nederland bereikt, zeiden beiden in Trouw dat deze crisis een breuklijn in de westerse geschiedenis zou zijn, en dat nu de weg kon worden vrijgemaakt voor een ‘nieuwe cultuurfase’ voor de mensheid. Ze kregen in de maanden erna veel bijval.

Inmiddels is het juni 2009. Het eerste crisisseizoen zit erop, de vakantie komt eraan. Is de betere wereld al in zicht? Nemen we fluitend genoegen met minder, bekommeren we ons meer om het milieu, zijn we duurzamer gaan leven?

‘Eigenlijk nog niet’, zegt Jaap van Duijn, econoom en voormalig topman van het beleggingsfonds Robeco. ‘Het moet allemaal nog gebeuren.’ Hij heeft net een eerste opzet gemaakt voor een boek over de heilzame mogelijkheden van de crisis. Het boek zal eindigen met een agenda voor de toekomst, waarin de econoom pleit voor een kleine, krachtige overheid die veel aandacht besteedt aan onderwijs, milieu en duurzaamheid.

‘Iets van inkeer tekent zich wel af. Die graaicultuur, daar hebben mensen echt helemaal genoeg van. Het verzet tegen de enorme verrijking aan de top, terwijl het modale inkomen nauwelijks is gestegen, zal niet verdwijnen. Maar de overgang naar een duurzamer maatschappij gaat niet vanzelf.’ Op termijn zullen de olieprijzen wel weer stijgen, verwacht hij. Dat zal veranderingen afdwingen. ‘Innovatie wordt uit nood geboren. Vernieuwing komt nooit voor de lol.’

Ook trendwatcher Adjiedj Bakas, auteur van Beyond the Crisis constateert dat de zaken slechts mondjesmaat veranderen. ‘Ik ben in Wall Street geweest en de Londense City. Sommige mensen zeggen: laten we de schulden aan de staat zo snel mogelijk afbetalen, daarna is het business as usual en krijgen we ons oude bonussysteem weer terug. Aan de andere kant is er ook wel een besef dat er iets moet veranderen. Ook bij overheden. Je ziet bijvoorbeeld dat ze het bankgeheim aanpakken.’

Schijndiscussie
Het is ook nog een beetje vroeg om werkelijk verandering te zien. Na de crash van 1929 bereikten de beurskoersen een dieptepunt in 1932. Tussentijds schoten ze een paar keer omhoog, waardoor het einde van de crisis in zicht leek. Pas na de verkiezing van de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in 1932 leidde de economische malaise tot een andere politiek.

Volgens premier Balkenende is de crisis te wijten aan menselijk falen, volgens minister Bos aan het systeem. Tot op zekere hoogte is dat een schijndiscussie. In de jaren dertig werden fascisme en communisme door veel mensen gezien als een geloofwaardig alternatief voor het kapitalisme. Nu denkt niemand serieus na over de afschaffing van de vrijemarkteconomie.

Maar het kapitalistische systeem kent vele varianten. De afgelopen decennia was het toezicht op de financiële markten veel minder streng. Interessanter is het menselijk aspect. Waarom gedragen kapitalisten zich in sommige perioden als verstandige, gematigde ondernemers en in andere perioden als hebzuchtige cowboys? Jaap van Duijn: ‘Dat is wat mij het meest fascineert: alles wat nu fout gaat, had in 1958 of in 1965 ook kunnen gebeuren. De bankiers hadden zich toen ook kunnen verrijken. Het enige verschil is dat ondernemingen groter zijn geworden, waardoor je uit een grotere pot kunt graaien.’

Shell en de ABN waren ook in 1965 bedrijven die winst wilden maken. Toch namen de toenmalige topmanagers genoegen met een, achteraf gezien, bescheiden beloning. Ze keken vooral naar de continuïteit van hun bedrijf, minder naar beurskoers, kwartaalwinst of bonus.

‘In de jaren vijftig en zestig werd het bedrijf ook gezien als een werkgemeenschap, waarin het personeel heel belangrijk was’, zegt Keetie Sluyterman, hoogleraar bedrijfsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. ‘Topmanagers zagen het als hun taak de belangen van het personeel, de kapitaalverschaffers en de samenleving als geheel zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.’

De onderneming is een maatschappelijke instelling, zei Unileverdirecteur Bartels in 1962. In dat opzicht verschilt de ondernemer niet van de vakbondsleider of de topambtenaar, aldus Bartels. Hun gezamenlijke drijfveer is ‘het welzijn van de mens’.

Ook Van Duijn herinnert zich een periode waarin de lange termijn centraal stond: de wederopbouw van Nederland, de ontwikkeling van de welvaart, een betere samenleving. ‘Mijn vader was tuinder in het Westland. Het woord groei bestond bij ons thuis niet. Ja, de tomaten, die moesten groeien. Voor de jaren zestig kom je groei ook helemaal niet tegen in economieboeken. Adam Smith had het over vooruitgang. Dat is iets heel anders dan groei. Vooruitgang, dat is de auto, de computer. In onze tijd vind ik internet een enorme vooruitgang, een uitvinding die talloze nieuwe mogelijkheden biedt.’

De cultuur van de economie wordt voor een belangrijk deel bepaald door collectieve ervaringen. De topmanagers van de jaren vijftig en zestig waren gevormd door de crisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog. Na alle ellende werkten de Nederlanders gezamenlijk aan een betere wereld die elke burger veiligheid moest bieden. Daarin speelde het bedrijfsleven een belangrijke sociale rol, in samenspraak met de vakbonden en de overheid.

In de jaren zeventig liep het zo succesvolle naoorlogse systeem spaak. De ondernemers, die achteraf zo vriendelijk en sociaal lijken, werden steeds vaker beschouwd als vuile uitbuiters die winst maakten over de ruggen van de arbeiders en de samenleving. De winstgevendheid van bedrijven werd uitgehold door stijgende lonen en belastingen. Het aantal faillissementen steeg van 1.700 in 1970 naar 6.900 in 1982. De werkloosheid nam toe van 4 procent in 1979 naar 14 procent in 1983.

Zoals de sociale ondernemer een product was van de crisis van de jaren dertig, zo is de nu zo gesmade Grote Graaier een product van de crisis van de jaren zeventig en tachtig. De overheid moest ‘terug in haar hok’. De ondernemer werd de nieuwe cultuurheld, gesymboliseerd door de yup. Leuk, die maatschappelijke idealen, maar als er niets verdiend werd, viel er ook niets te verdelen. Achteraf lijkt het vertrouwen in de vrije markt misschien naïef, maar destijds werd liberalisering gezien als de enige manier om Nederland uit een diepe malaise te halen. De onzichtbare hand van Adam Smith werd in ere hersteld: het maatschappelijk belang is gediend met ondernemers die hun hebzucht volgen, en daarmee welvaart voor iedereen creëren.

‘Het antwoord op de vraag ‘van wie is de onderneming?’ verschoof van ‘de maatschappij’ naar ‘de aandeelhouder’. Die hebben immers hun geld in het bedrijf gestoken’, zegt Sluyterman. Topmanagers koppelden hun inkomen aan de beurswaarde van hun bedrijf. Als de beurskoersen stegen, had de leider toch zeker recht op een flinke bonus? Dat leidde tot een oriëntatie op de korte termijn, constateerde Sluyterman in haar boek Kerende Kansen. Zo daalden de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling, waar zij voor 1973 nog stegen.

Cashen was het parool in het volkskapitalisme van de afgelopen decennia. Overheden verkochten nutsbedrijven, particulieren verzilverden de overwaarde van hun huis of belegden met geleend geld.

Na ons de zondvloed
Volgens Van Duijn ontstond er de afgelopen jaren ‘een soort notie in het collectieve onderbewustzijn’ dat de grenzen van de groei in zicht waren. ‘Philips hoefde zich 40 jaar geleden niet in allerlei bochten te wringen om winstgroei te behalen, want de welvaart en de markt groeiden. Het ging min of meer vanzelf. De afgelopen jaren raakten die groeimogelijkheden uitgeput. Om er toch maar zo veel mogelijk uit te peuren, zijn we nu de kip met de gouden eieren aan het slachten. Het is een hedonistische maatschappij. Mama, ik wil nú mijn ijsje. Na ons de zondvloed.’

Ook Adjiedj Bakas zag de inhaligheid, gecombineerd met een zeer onrealistische kijk op de economie. ‘Het was meer, meer, meer. Ik was ooit bij een bijeenkomst van beleggers, waar iemand zei: maar ik heb toch recht op winst? Het hele idee dat beleggen ook risico’s met zich meebrengt, was verdwenen.’

Bakas beschouwt de crisis als een ‘grote voorjaarsschoonmaak’. De economie zal een nieuwe start maken, gedreven door nieuwe technologieën, gelooft hij. Na de crisis van de jaren dertig volgde de doorbraak van de auto, na de jaren tachtig de pc. Nu verwacht hij veel van nanotechnologie.

Deze crisis gaat echter lang niet alleen over de stand van de economie. In Waterstof, de digitale krant van de links-liberale stichting Waterland, noemde de econoom Arjo Klamer de crisis een wake up call waar geen manifest tegenop kan: eindelijk dringt het besef door dat ongebreideld kapitalisme een slecht idee is. Klamer hoopt op eerherstel van het begrip ‘matigheid’ en daarmee herstel van een beschaving, die de afgelopen decennia bijkans bezweek onder de terreur van het grote geld. ‘Temperantia, matigheid, is de klassieke deugd die cruciaal is om hebzucht, machtswellust en andere menselijke driften in toom te houden. Met al het gepraat over vrijheid, ambitie, passie, consumptie en meer, meer en nog eens meer, raakte die deugd uit het zicht.’

Lager pitje
Zal de crisis ‘een nieuwe cultuurfase’ inluiden, net als vorige crises? Vooralsnog zijn de tekenen tegenstrijdig. Topman Peter Bakker van TNT liet al weten dat hij de groene ambities van zijn bedrijf even op een lager pitje zet. Overleven heeft nu prioriteit. Zo is Bakas ook teleurgesteld in de milieudoelen die president Obama de Amerikaanse auto-industrie heeft gesteld. ‘In 2015 moeten de Amerikaanse auto’s even zuinig zijn als de Europese. Wat is dat nou voor ambitie? Hij zou veel meer afstand moeten nemen van Detroit.’

Toch zal de crisis leiden tot andere waarden, geloven veel commentatoren. Minder vrije markt, meer toezicht en overheidssturing, ook op internationaal niveau. Minder kortetermijndenken, meer aandacht voor lange termijn en duurzaamheid. De kern van de nieuwe mentaliteit is een andere verhouding tot de tijd, zoals de Brits-Duitse socioloog Ralf Dahrendorf schreef op de website Eurozine.

Hoe die nieuwe wereld er precies uit komt te zien, is uiteraard moeilijk te voorspellen. Tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig leek de naoorlogse verzorgingsstaat met zijn volledige werkgelegenheid voor velen een onhaalbare droom. Er zijn talloze mogelijkheden, waaronder catastrofale. De crisis van de jaren dertig eindigde met herbewapening en oorlog. ‘Dat voorzie ik nu niet’, zegt Bakas. ‘Wel een reeks kleine oorlogen, zoals die in Afghanistan. Maar geen grote oorlog. Amerika en China zijn te veel van elkaar afhankelijk.’ Eigenbelang garandeert echter geen vrede. Ook aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog meenden veel mensen, vooral in de zakenwereld, dat de grote Europese landen te zeer met elkaar waren verweven om het op een krachtmeting te laten aankomen.

Disneyland
In zijn boek De Groei Voorbij, uitgekomen in 2007, voorspelde Jaap van Duijn al het einde van de naoorlogse periode van economische groei. ‘Ik denk dat we nu op een punt zitten waarop we naar een nieuw evenwicht moeten. Een evenwicht waarbij de economische groei waarschijnlijk nul zal zijn. We zitten op een plateau’, zegt hij. Dat betekent geen absolute stilstand. ‘Nul is een gemiddelde. Sommige sectoren zullen groeien, maar andere dalen.’

Volgens Adjiedj Bakas zal Europa een soort Disneyland worden, een pretpark waar de rest van de wereld zich komt vergapen aan oude steden, kastelen en andere historische attracties. ‘Andere delen van de wereld zullen sterk groeien, Europa niet. Dat is helemaal niet erg. Bovendien zullen sommige Europeanen veel geld verdienen aan de groei in Azië, Zuid-Amerika en elders.’

En de betere mens, komt die er nog? Dat zou best kunnen. Van Duijn: ‘Noodgedwongen moeten we ons heroriënteren, een nieuwe balans vinden: een land als Japan, dat al decennia niet groeit, zal daarbij eerder tot voorbeeld dienen dan Amerika.

‘We hebben in elk geval gezien dat hebzucht niet gelukkig maakt; we worden namelijk al vijftig jaar niet gelukkiger, zo blijkt steeds uit onderzoek. Consumptie is niet meer het probleem. De noden liggen allemaal op het immateriële vlak. Alle dingen die moeten gebeuren, hebben te maken met de collectiviteit. Onderwijs, veiligheid, integratie, milieu, meer sociale cohesie, dáár gaat het om, niet om spullen en vakanties en inkomens. Het gaat niet om meer, maar om beter.’

Meer over