BMW kon niets met oudemannen-imago Rover

Na zes jaar zet de Duitse autofabrikant BMW een punt achter het rampzalige avontuur met het Britse Rover. Voor BMW resteert een strop van 20 miljard gulden; de Britse vakbonden en de regering-Blair zijn boos en teleurgesteld....

Wat was er zo mis met Rover? De merknaam. Rover, zo noem je geen auto, zo noem je een hond, zei gisteren een Britse autojournalist.

Overal in Europa, in Japan en in het Midden-Oosten is de nieuwe Rover 75 bewierookt als een geweldige auto. Het was niet alleen de auto van het jaar, het haalde liefst tien internationale prijzen, waarvan één in Duitsland, de bakermat van moederbedrijf BMW. De auto was elegant, klassiek, stijvol en verfijnd.

Maar het merk miste tegelijkertijd sex-appeal. Niemand kocht de auto. Vorig jaar werden slechts 25 duizend exemplaren van dit model verkocht, ver onder de verwachte afzet.

'In het buitenland was Rover een gerespecteerd merk. Maar in Groot-Brittannië staat Rover model voor de jaren vijftig en zestig. 'Het is een oudemannenwagen', zegt Alan Fulham, directeur van de Vereniging van Britse autodealers.

In de laatste tien jaar heeft Rover drie eigenaren gehad: British Leyland (grootaandeelhouder de overheid), British Aerospace en BMW. Fulham: 'De eigenaren hebben dezelfde fout gemaakt. Ze zijn allemaal verder gegaan met de dure Rover die op een overvolle markt moest concurreren met merken als Alfa Romeo, Audi, Mercedes en BMW. Veel beter had men goedkope auto's onder de merken Austin en Morris kunnen produceren.'

De Rover-fabriek Longbridge in zuid-Birmingham werd in de jaren tachtig een berucht bolwerk van vakbondsactivisme. 'Red Robbo', de communistische vakbondsleider Derek Robinson, organiseerde veelvuldig wilde stakingen. Ook de kwaliteit van de auto's liet toen veel te wensen over.

Maar toen BMW Rover overnam, leek de fabriek genezen van de bekende Britse ziekte. In de afgelopen tien jaar heerste er arbeidsrust. De kwaliteit van de auto's deed niet onder voor die van bekende buitenlandse modellen. Wel bleef de productiviteit laag: per werknemer werden slechts dertig auto's per jaar gemaakt. De werknemers van de Ford-fabriek in Dagenham maakten er twee keer zoveel. In de ultramoderne fabriek van Nissan in Sunderland werden in 1999 per werknemer zelfs meer dan honderd auto's per jaar geproduceerd.

Maar Fulham zegt dat dit de Rover-werknemers niet is kwalijk te nemen. 'Zij moeten werken met bijna antieke machines in een totaal verouderde fabriek.'

Alle investeringsplannen voor Longbridge, waar de Rover 25 en 45 worden gemaakt, stuitten echter op een ingewikkeld pokerspel tussen de Duitse eigenaar, de Britse regering en de argwanende Brusselse autoriteiten over eventuele staatssteun. Met de andere merken van de Rover Group had BMW het evenmin makkelijk: de opvolger van de beroemde Mini liet te lang op zich wachten en het laatste model van de sportwagen MG is al vijf jaar geleden ontwikkeld. De Rover 75, die wel in een moderne productielijn werd geproduceerd, kreeg tot overmaat van ramp te kampen met een imagoprobleem. Alleen met de Land Rovers, de parel van de Rover Groep, ging het altijd goed.

De verliezen stapelden zich dan ook op: van ruim twee miljard in 1998 tot meer dan drie miljard in het vorige jaar. De van de Britse ziekte genezen Rover Group kreeg in München toch weer een bijnaam: The English Patiënt.

Dat tenslotte enkele financiële avonturiers de eigenaar zouden worden, leek op dat moment nog geen optie.

Maar hun marketing strategie lijkt tenminste voortvarend: de naam van de Rover Group is meteen in MG Car Company veranderd. Zo zou iemand zijn hond nog niet willen noemen.

Meer over