ColumnKoen Haegens

Betalen wij nu voor landen die jaren feest hebben gevierd? Zo simpel is het niet

Koen Haegens artikel columnBeeld .

Terwijl Nederlanders deze zomer in eigen land op de camping bivakkeren, mogen hun zuurverdiende euro’s wél naar de mediterrane zon. Dat is althans de teneur rond het Europese coronafonds van 750 miljard euro, waarover de regeringsleiders vrijdag in een marathonvergadering opnieuw een knoop proberen door te hakken. De Europese Commissie wil dat tweederde van de pot bestaat uit giften. Nederland is voorstander van leningen en harde hervormingseisen.

‘Nederland heeft in de vette jaren gespaard, de EU kan nu niet van ons verlangen dat we gaan betalen voor landen die feest hebben gevierd’, verwoordde SGP-leider Kees van der Staaij het sentiment. Het enige lid van de PVV deed er als vanouds een schepje boven: ‘Wij geven geld zodat de Italianen op het strand aan de Sambuca kunnen.’

Den Haag steggelt over hoe lomp je het mag zeggen. Maar dát er een geldstroom loopt van het hardwerkende noorden naar het spilzieke zuiden, lijkt buiten kijf te staan. En toch is dit geen uitgemaakte zaak. Nederland geldt formeel inderdaad als nettobetaler. Net als Italië trouwens. Maar die bijdrage aan de Europese begroting is slechts een deel van de complexe economische werkelijkheid.

Voor zover er oog is voor dat grotere plaatje, blijft het doorgaans bij vrome woorden over de voordelen van de interne markt. Volgens schattingen van de Europese Commissie levert die de gemiddelde Nederlander meer dan drie keer zo veel euro’s op als een Italiaan of Spanjaard. Heel af en toe wordt ook nog de kwalijke rol van Nederland aangestipt als toevluchtsoord voor Zuid-Europese bedrijven die hun belastingdienst ontwijken.

Veel minder aandacht is er voor de reusachtige monetaire subsidie waarvan het Nederlandse bedrijfsleven als geen ander profiteert. Beschouw het als een tweetrapsraket. De komst van de euro heeft om te beginnen een einde gemaakt aan de veelvuldige devaluaties van Zuid-Europese munten als de lire. Door de eigen munt in waarde te verlagen, konden Italiaanse bedrijven concurreren met Noord-Europa. Die dreiging is kaltgestellt. Het kan de eurofilie van werkgevers en vakbonden in de jaren negentig verklaren.

Eenmaal een voldongen feit, is de euro voor een sterke economie als de Nederlandse bovendien veel te goedkoop, zoals De Groene Amsterdammer afgelopen week nog eens benadrukte. Dat komt tot uitdrukking in het gigantische overschot op de lopende rekening van 10 procent. Keren we terug naar de gulden of een harde Noord-Europese ‘neuro’, dan worden Nederlandse producten fors duurder in het buitenland. De export zal inzakken, net als de bedrijfswinsten en de werkgelegenheid.

In wezen gaat het hier om een subtiel staaltje Hollandse valutamanipulatie waaraan de Chinezen nog een puntje kunnen zuigen. Misschien komt het doordat er onmogelijk een hard cijfer op te plakken is, maar niemand die het ziet. Ook Trump niet, hoewel hij wel Duitsland op de korrel neemt. De tragiek is dat zelfs de Nederlanders die hiervan het hardst profiteren het zijn vergeten: er stroomt een onzichtbare geldrivier van zuid naar noord.

Meer over