Beelden tussen het lover

De beelden rond het Kröller-Müller Museum moesten aanzetten tot bespiegeling en meditatie. Maar Steven van Beek, die de kunstwerken helpt neerzetten, ziet vooral wat de buitenlucht met de materialen doet.

‘Dat zijn ze.’ Bovenop een heuvel strekken metershoge roestbruine platen de boomtoppen voorbij. Dit zijn de welvende vormen van View (2001), een object van Rudi van de Wint, de in 2006 overleden kunstenaar uit Den Helder.

‘Daar heb ik heel wat moeizame gesprekken over gehad, met Rudi. Een prachtkerel. Maar lastig. Hij wilde het maximale, altijd. Dan kwam ik weer langs in zijn loods in Huisduinen en dan zei ik: dat kan niet, Rudi. Dat krijgen we niet de heuvel op. En als je terugkeerde was het allemaal toch weer groter, zwaarder.’

Lentelover
Loop eens met Steven van Beek (60) door de beeldentuin van het Kröller-Müller Museum in Otterlo en tussen ritselend lentelover op de Hoge Veluwe komen verhalen voorbij die ver afstaan van verhandelingen over symbiose of botsingen tussen sculptuur en natuur, doorgetrokken zichtlijnen, land art en metaforen voor de vergankelijkheid van het bestaan. ‘We hebben een 220 tons kraan neergezet. Het was nét genoeg.’

Van Beek is als hoofd technische dienst collectie en presentatie van het museum een man van de praktijk. Als een voorstel voor een nieuw project passeert, denkt hij mee met de schepper over constructie, fundering, veiligheid, mogelijkheden voor plaatsing. Er komt hier bepaald geen minimal art, in de meest letterlijke zin, voorbij.

De beeldentuin van ruim 25 hectare, die in de top-10 van verwante parken in Europa staat, biedt ruimte voor het grote gebaar, op het gazon of tussen blauwspar, beuk en eik. Meer dan 150 objecten staan er, variërend van een enkel traditioneel brons op een sokkeltje, tot complete paviljoens en een bouwwerk van drie etages.

Kameraden
In Van Beeks kielzog kom je te weten dat de Nieuw-Zeelander Chris Booth speciale zagen nodig had om honderden zwerfstenen van graniet veelkantig te krijgen voordat hij er een ovale muur van kon optrekken, de Echo van de Veluwe (2003-2005). ‘Anderhalf jaar is hij bezig geweest. Je moet geen zaag hebben waarvan na enkele minuten de tanden zijn afgesleten.’

Voor Kijk uit attention (1986-2005) van Krijn Giezen, een steile trap die voorbij de top van de stuwwal de Franse Berg reikt, hebben drie diesellieren een kraan de helling opgetrokken – ‘de spanning van de kabels moest precies gelijk zijn, anders knapten ze’. Nog altijd is de trap afgesloten, nadat een bezoeker kort na de openstelling bij een val zwaargewond was geraakt. ‘Ik voel me niet verantwoordelijk, nee. Wel machteloos.’

Begrip
De kunstenaar zelf heeft volgens Van Beek begrip voor het verbod. ‘Hij ziet het werk als een doorgaand proces. Daar past ook een discussie over een mogelijke heropening in.’

Hij zegt het zonder een spoor van ironie. Nooit zal Van Beek, sinds 1973 in dienst van het museum, zich bemoeien met de inhoud, de boodschap, de gedachte achter de kunst. Maar als de Amerikaanse kunstenaar Richard Serra met een 1.800 kilo zware loden plaat van 3 bij 3 meter en een dikte van 2 centimeter komt aanzetten, die op de kant tegen een muur zou moeten worden geplaatst, is hij degene die de vinger op steekt. Was de maker ermee bekend dat lood zomaar kan omklappen als het aan de uiteinden een beetje begint te zwabberen? De sculptuur ging retour.

Ouwe-jongens-krentenbrood
‘Ik probeer eigenlijk altijd een sfeer te creëren van ouwe-jongens-krentenbrood. Bij sommige kunstenaars is hun manier van optreden deel van het werk. Ik probeer daar doorheen te prikken. Bij mij hoef je niet zo ingewikkeld te doen. Vaak lukt het. Veel kunstenaars zijn, mag ik gerust zeggen, kameraden geworden. Maar bij een enkeling is er geen beginnen aan. Dan is het één grote performance. Moeilijk doen, nooit tevreden zijn. Het liefst werk ik met autodidacten. Die hebben meestal zelf iets in de knuisten gehad. Dan weet je waarover je praat. Voor mij is een kunstenaar in eerste instantie toch een ambachtsman.’

Meditatie
De tuin is geen vrijplaats voor de beeldende kunst, de uitgestrektheid ten spijt. De opeenvolgende directies achten zich schatplichtig aan museumoprichter Helene Kröller-Müller (1869-1939), die haar kunstcollectie had opgebouwd met als leidraad dat er altijd een relatie met de natuur is en dat de objecten moeten aanzetten tot bespiegeling en meditatie. Hoewel de tuin er pas kwam na haar overlijden, zijn Bram Hammacher, Rudi Oxenaar en Evert van Straaten ook tussen rododendrons en krentenstruiken met hun aankopen en opdrachten – in aantal min of meer in evenwicht – binnen Kröllers schaduw gebleven. Zij het dat elke museumdirecteur zijn eigen accenten heeft gelegd. Hammacher richtte zich op abstracte sculpturen. Oxenaar haalde de avant-garde in huis. Van Straaten houdt van installaties. Dat gazons en perken het idee van museumzalen in de openlucht moeten oproepen, zoals begin jaren zestig bedacht bij de aanleg, geldt nauwelijks meer. In de woorden van Van Straaten: ‘Je mag tegenwoordig ook onverwachts iets tegenkomen.’

Van Beek passeert de vijver met het icoon uit de buitenverzameling, Sculpture flottante (1960-1961) van Marta Pan. In de volksmond: de zwaan. ‘Die moet het water uit, binnenkort, het polyester vertoont craquelé.’

Mag het, na al die jaren? Het valt hem wel vaker op: kunstenaars staan er niet altijd bij stil wat de openlucht met materiaal doet. In de voortuin wijst hij naar Dan Grahams Two Adjacent Pavilions (2001). De glazen cabines waren oorspronkelijk opgetrokken uit confrontatiespiegels – glas dat slechts van één kant doorkijk biedt. Maar het flinterdunne laagje metaal dat erop zat, viel al snel volledig uiteen. Maandenlang is gezocht naar een oplossing. Het is donker glas geworden. ‘We werden er soms wanhopig van. Dit kwam nog het meest in de buurt.’

Eerlijk gezegd: veel heeft hij zelf niet op met de metaforen en concepten om hem heen. ‘Maar ik kan er ook niet meer onbevangen naar kijken. Ik let er vooral op hoe het in elkaar is gezet. Welk materiaal is gebruikt? Hoe zijn de verbindingen gemaakt? Is het sterk genoeg?’

Specht
Wie, zoals hij, geboren en opgegroeid is in Otterlo, is meer een kind van de natuur. ‘Als je zo’n twintig keer uit alle denkbare bomen bent getuimeld, ken je ze wel. Dan weet je welke takken meebuigen en welke niet.’

En dan valt hem wel eens op dat zijn euforie over geboomte en gevogelte niet altijd wordt gedeeld. Tijdens de aanleg van het Huis van dr. Jung van Pjotr Müller, drie gestapelde eenheden met gangetjes en vertrekken, opgetrokken uit afvalhout, was hij in gesprek met de kunstenaar, toen vlakbij een vogel over vloog. ‘Kijk, een zwarte specht!’, had hij opgewonden geroepen. Tot zijn verbazing reageerde Müller nauwelijks. Van Beek: ‘Een groot vakman, Pjotr. Kijk eens hier hoe dat hout in elkaar grijpt. Maar zo’n specht zei hem niks.’

Smeedhamer
Hij houdt ervan als natuur, cultuur en ambacht samenkomen. Op een open plek is een reusachtig model van de kop van een smeedhamer op liggers geplaatst; maten: 3,2 bij 1,2 meter en 90 centimeter hoog, gewicht 12,8 ton. De steel ontbreekt nog, maar is in de maak: in het gat is een ginkgoboompje geplant. Naar verwachting zal de stam over tachtig jaar de hele opening hebben gevuld. De EuropaHammer van de Duitse kunstenaar Andreas Rimkus staat sinds eind vorig jaar nabij een parkeerterrein. ‘Mooie kerel, die Rimkus. Hij is bezig om op elk continent van zulke hamers te plaatsen. Hij wil dat het ambacht van het smeden niet verloren gaat.’

Terug in zijn kantoortje in een van de vleugels van het museum: ‘Je beseft de uniciteit van het gebied niet altijd. Soms is er een ander nodig die je dat vertelt.’ Anders is er wel de verbeelding: Helene Kröller-Müller ligt begraven aan de andere kant van de Franse Berg. Er zijn momenten dat hij denkt dat ze haar nalatenschap nog in de gaten houdt, en stiekem toekijkt, over de heuvelrand.

Meer over