Bedrijfsleven misbruikt activisten in Seattle

Een bonte coalitie trekt in Seattle ten strijde tegen de Wereldhandelsorganisatie. Milieu- en mensenrechten-activisten, vakbonden en bedrijfsleven lijken verenigd in een gemeenschappelijk doel: beperking van de wereldhandel....

Ferry Haan

LINKS EN RECHTS hebben elkaar in Seattle gevonden. Zo'n 50 duizend demonstranten van 780 verschillende actiegroepen protesteren in wolken traangas en pepperspray vóór de mensenrechten en tegen milieuvervuiling, kinderarbeid en andere misstanden. Hun gemeenschappelijke vijand is de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Die staat voor vrije handels- en kapitaalstromen, de vermeende oorzaak van al het kwaad.

Naast het feit dat ze aan het verkeerde adres zijn - regeringen beslissen over handelsbeleid, en niet de WTO - valt op dat industriële organisaties en milieu-activisten het zo met elkaar eens zijn. Ineens maakt iedereen zich druk over het milieu en kinderarbeid. De organisaties pleiten voor het opleggen van verplichte milieu- en arbeidsnormen. Producten die op een milieuvervuilende wijze of door kinderen zijn gemaakt, moeten van de westerse markten geweerd worden. Zo worden producenten gedwongen om hun productiemethoden te verbeteren, is de gedachte.

In de praktijk zal het opleggen van milieu- of arbeidsnormen aan de Derde Wereld echter betekenen dat de handel met deze landen simpelweg de nek wordt omgedraaid. En dat is precies het verborgen doel van veel demonstranten met minder nobele intenties: zij willen concurrerende producten van hun markten weren.

'Mensen met het hart op de goede plaats laten zich in Seattle misbruiken door lieden met slechte bedoelingen', stelt Jan Willem Gunning. Gunning is hoogleraar Ontwikkelingseconomie in Oxford en aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is begaan met de bestrijding van armoede in de Derde Wereld. 'Maar het opleggen van arbeids- en milieunormen helpt de Derde Wereld niet', stelt hij. 'Kinderarbeid is een gevolg van armoede. Als je daar iets tegen wil doen, dan moet je de armoede bestrijden. En dat lukt met handel beter dan met hulp.'

De hypocrisie van het westerse bedrijfsleven komt tot uiting in een recente oproep van het Nederlandse Genootschap voor de Groothandel. Voorzitter Slagmulder stelt voor om een tarief te heffen op producten gemaakt door kinderen. De opbrengsten worden teruggesluisd naar de ontwikkelingslanden. Op het eerste gezicht een nobel initiatief, maar sinds wanneer maakt de Nederlandse groothandel zich druk over kinderarbeid? Sinds de branche last heeft van goedkope invoer uit de Derde Wereld.

De ontwikkelingslanden winden zich volgens Gunning enorm op over de westerse hypocrisie. Eerst kapten de Europeanen zelf al hun oerbos, en nu verwijten ze de Derde Wereld hetzelfde te doen. In Europa liepen tot het eind van de vorige eeuw ook kinderen rond in de kolenmijnen.

Gunning stelt dat natuurlijk afspraken gemaakt moeten worden om te voorkomen dat producten van dwangarbeid op de markt komen. Ook milieuvervuiling die globale consequenties heeft, moet worden tegengegaan. Verder wil hij niet gaan. Als de milieuvervuiling alleen maar lokale gevolgen heeft, moeten de producerende landen daar zelf over beslissen. Rijke landen die elders lokale natuur willen beschermen moeten met geld over de brug komen. Waarom zou de Derde Wereld voor westerse wensen de rekening moeten betalen?

De enige die volgens Gunning iets mag en kan doen aan misstanden is de consument: 'De consument kan kiezen of hij Max Havelaar-koffie of -bananen koopt.' Consumentenacties bij bedrijven als Shell, Ikea en Nike hebben in het verleden veel succes gehad. Veel bedrijven blijken haastig hun beleid te wijzigen als ze met een consumentenboycot worden geconfronteerd.

De massale demonstraties in Seattle geven aan dat in de toekomst nog veel meer consumentenacties te verwachten zijn. In hun eigen gedrag kunnen mensen laten zien waar hun hart zit. Protectionisme is daar niet voor nodig.

Meer over