Alle vrouwen vinden 'm mooi

De neus kan wat krachtiger en sommige details vragen om verbetering - maar hij ís er dan toch maar: een nieuwe Nederlandse sportwagen, ontstaan uit de droom van een bevlogen eenling....

door Toine Heijmans

ROMANTIEK? Alsjeblieft nee zeg, zo is het niet. Nou ja het klinkt wel romantisch, negen jaar lang werken aan een zelfbedachte sportwagen van het slag Ferrari, in een schuurtje, onder een afdak, ergens verstopt in de bossen van Overijssel - maar in die bossen vriest het 's winters wél 13 graden en dan is er echt niks romantisch meer aan hoor, 'de hele dag metaal zitten kloppen'.

Zeg dus niet dat Maarten de Bruijn een hobby uitleeft, dat is het niet en dat is het nooit geweest. Maarten de Bruijn wil gewoon een autofabriek. Serieus. De tweede Nederlandse sportautofabriek, als je die van Joop Donkervoort meetelt. En dat wil hij al van kindsaf.

'Maar ja, voor een fabriek moet je wel eerst een auto hebben. Dus die ben ik gaan bouwen. En als je weinig te investeren hebt, moet je werken in primitieve omstandigheden.'

Nu, dat hoofdstuk is afgesloten, zegt hij. Het gaat lukken met die autofabriek. Prototype klaar, investeerder gevonden, enthousiasme bij professionele coureurs, de eerste serie van tien modellen komt eraan (twee ton per stuk), en het mooiste van alles: De Bruijn heeft een prachtige naam opgeduikeld. Spyker. De bekendste Nederlandse autofabriek, failliet gegaan in 1926 na een glorievolle tijd als automobielleverancier voor de superrijken. De naam was nog gewoon te verkrijgen bij het merkenbureau. Het leek hem wel passend. Kostte wel een smak geld.

Bovendien: veel gestorven Europese autolegenden worden de laatste jaren tot leven gewekt. Bugatti, Maybach, O.S.C.A., Jensen. 'Wij in Nederland hadden Spyker, dat is onze trots, ik dacht: die naam moet ik hebben voordat er iemand anders mee vandoor gaat.'

Visitekaartje: Spyker Automobielen. Drs. Maarten J. de Bruijn.

Hij loopt in Amsterdam, langs de Amsteldijk, waar eens autofabriek Trompenburg stond, leverancier van de Spyker. De Bruijn zoekt naar koffieshop Spyker die hier zou moeten bestaan. Maar er is geen koffieshop. Er is eigenlijk niets meer dat herinnert aan de autofabriek, behalve dan de Trompenburgstraat. De assemblagehal is nu een groot wit overhangend kantorencomplex.

Hele geschiedenis uitgewist. En dat terwijl Spyker toch de Gouden Koets heeft gebouwd, en automobielen voor queen Elizabeth. 'Rolls-Royce van het continent', was de bijnaam. Maar zelfs van de legende is nog maar weinig over.

De Bruijn (34) bouwde zijn Spyker aan de andere kant van Nederland. Bij zijn ouders, die ruim wonen in een bos niet ver van Deventer. En een schuurtje overhadden waar het dus allemaal begon. Maar dat was zo krap dat het buiten verder moest. Onder een afdak. Ook bij 13 graden vorst.

Het is een heel klein afdak. De Bruijn begeeft zich tussen woekerende klimop en gevallen herfstblad, 'shit de katten hebben hier weer lopen pissen', sjort aan een oud plastic zeil en onthult een stuk staal, een glimmend monster, de Spyker. Het model heet Silvestris, wat Latijn is voor uit het bos afkomstig. Leek hem wel toepasselijk.

De Spyker Silvestris V8 is niet iets wat je verwacht onder een door katten vernaggeld zeil, eerder in een hele, hele dure showroom 'Man!', had de vader van autocoureur Tim Coronel gezegd na een testrit op het circuit van Zandvoort, 'wat heeft die wagen een allure!'

Achter breed, van voren spits. Een dier van blank staal. 'Ik wil dat hij als een panter in de aanslag ligt', zegt De Bruijn. 'Met zo'n snelle rug - onbeweeglijk, maar bijna trillend van kracht.'

Nul tot honderd in vierenhalve seconde.

D E MOTOR slaat aan en de ruiten van het ouderlijk huis trillen in hun sponningen.

De Bruijn rijdt over smalle asfaltrepen, tussen boerderijen en weilanden, langs een SRV-wagen. De buurt moet onderhand gewend zijn aan het motorgegrom, maar hij blijft bang voor overlast. Dit is zijn testcircuit. Duizenden kilometers heeft hij gereden over kronkelwegen, met of zonder asfalt. Overal wordt hij nagekeken, aangesproken, door schooljongens, winkeliers, huisvrouwen, bejaarden. 'Mag ik u vragen wat voor soort auto dat is?', zegt een zakenman tijdens de lunch in restaurant De Roskam te Gorssel. 'Dat', zegt De Bruijn, 'is het prototype van de nieuwe Spyker.'

Even later: 'Gek toch wat voor effect een auto heeft op mensen.' Een auto fascineert omdat hij je in staat stelt iets te doen wat anders nooit zou kunnen, denkt hij. Heel hard rijden, vooral.

De Bruijn geeft goed gas en als gelanceerd schiet de Spyker weg, wat de sensatie van een achtbaanrit teweegbrengt.

'Dat is dus best verslavend.'

Trots: 'Deze is in potentie sneller dan een TVR of een Porsche 911. Hij kan zich meten met een Ferrari en een Lamborghini.' Daar ook zit de markt: er zijn veel kopers voor superdure sportwagens, maar het aanbod is beperkt. Genoeg klanten die twee ton overhebben voor een raceauto. 'En het gekke is: alle vrouwen vinden 'm mooi, terwijl die meestal niet van echte racebeesten houden. Zo wilde ik 'm hebben: snel en toch mooi van lijn.'

De Silvestris is wel zo Spartaans als de schuur waar hij geboren werd. De motor brult tot boven de pijngrens. Staal op staal, dus veren doet ie niet. Het dashboard: kaal. De bagageruimte beperkt tot twee kleine koffers. Maar zo is dat met een racewagen: snelheid gaat voor comfort.

'En hij heeft zulke mooie techniek!' Topspullen: Audi V8-motor, 265 pk, Formule 1-schokdempers, 'helemaal bij Koni uitgeregeld en getest voor deze wagen', handgeschakelde close-ratio vijfbak, onafhankelijke wielophanging met dubbele driehoekige draagarmen, Momo-kuipstoeltjes, rondom geperforeerde remschijven met AP-klauwen.

Als het moet haalt hij de auto in en uit elkaar met een blinddoek voor.

Len Terry, beroemd technicus van het beroemde Engelse sportwagenmerk Lotus, schreef in een van zijn boeken: 'Je wordt geboren als autobouwer.' Zo is het ook met De Bruijn, zegt hij zelf. Geen sprake van dat zijn auto op een Volkswagen-chassis zou staan, of afgekeken zou zijn van goedlopende Ferrari-modellen. De Bruijns auto moest helemaal van hem alleen zijn - op de motor, de schokbrekers en de remmen na dan, want daar zijn echte specialisten voor. De rest komt uit zijn eigen hoofd, en uit zijn eigen handen. Van het gereedschap waarmee de auto is gebouwd, tot het scharnier van de achterklep. Het moet goed zijn, en mooi.

Zit in de familie: zus bouwde haar eigen viool, broer bedacht een uniek bekabelingssysteem voor de auto, patentwaardig wellicht, en als er een nieuwe zinken dakgoot op het ouderlijk huis moet dan doen ze dat met zijn allen - geen modern plastic geval maar origineel, zoals het hoort.

OPA WAS koperslager. Allang dood, maar De Bruijn heeft een paar kannen en vazen van 'm. Zo kon hij zich het ambacht van metaalklopper meester maken. 'Dat kan tegenwoordig niemand meer, dus het was een hele klus om het te leren. Op de vazen van opa zag ik het patroon van de slagen, en zo kon ik herleiden hoe hij het deed. Nu klop ik in een kwartier een spatbord. Zo mooi: uit een vlakke plaat een ronde vorm halen.'

Van trendy koolstof panelen, of erger: plastic, wil hij niets weten. 'Ik wil een auto die uit metaal gebeeldhouwd lijkt. Met hele mooie strakke naden. Ik hou van handgemaakte schoenen en horloges, dat is hetzelfde gevoel.'

Ook andere veelgebruikte technieken lapt hij aan zijn laars. Geen ingewikkeld buizenframe, maar een koets uit één stuk, een monocoque, in autobouwerstaal. Het moest vooral een efficiënte wagen zijn, goed doordacht, eenvoudig, relatief snel te bouwen, maar wel handgemaakt en zonder compromis.

Heeft ook weer te maken met de barse omstandigheden waarin de Spyker ontstond. In een schuur in een bos is geen plaats voor grote drukovens om koolstof portieren te persen. Daar moet je metaal kloppen. Dat dwong hem te blijven denken, zegt De Bruijn, veel nadenken over hoe het anders kon, lichter, goedkoper, sneller, eenvoudiger, niet zomaar teruggrijpen op dingen die al gedaan zijn.

Hij denkt alleen maar, constant aan die auto, zegt De Bruijn. 's Nachts droomt hij van technische oplossingen. Naast zijn bed ligt een blocnote om ze te noteren.

Hij verontschuldigt zich. 'De carrosserie is nog niet helemaal strak.' 'De neus kan wel wat krachtiger.' 'Hij haalt nu 250 per uur, maar er komt een zesbak achter en dan krijgt ie een hogere top.' 'De raamspijlen zijn nu wel bekleed, met echt leer, maar dat moet mooier.' 'Het logo op de grille kan misschien anders.'

Hij is niet tevreden, hij is nooit tevreden. 'Soms ben ik bang dat mijn hoofd ontploft van die auto.'

Helemaal nu het erop aankomt, er een fabriek gebouwd moet worden en hij de publiciteit durft te zoeken. De Bruijn waakt ervoor over te komen als een hobbymannetje, trekt een pak aan voor de foto ('zorg dat de strik van je stropdas goed aansluit op de boord', zegt zijn vader nog) en presenteert zich als een zakenman. 'Ik ben kwetsbaar nu, het mag niet misgaan. Zoveel geïnvesteerd; zelfs het geld van mijn diensttijd zit er nog in.'

Gelukkig heeft hij de zakelijke wonderboy Victor Muller (van Wijsmuller) gevonden, als investeerder, maar beter nog: als kenner van de autobranche en, bijvoorbeeld, goede vriend van Ferrari-importeur Frits Kroymans. Muller heeft de contacten. Muller heeft ook alvast een cabrio-Spyker besteld. 'Je kunt wel zelf in het bos een auto bouwen, maar dan ben je er nog lang niet. Voor een autofabriek heb je mensen om je heen nodig. Anders lukt het niet.'

Alleen al de wettelijke rompslomp. Hoeveel vergunningen er niet nodig zijn een eigen auto te bouwen! Een kenteken krijgen is vreselijk lastig; de eerste Silvestris heeft nu een 'individuele typegoedkeuring', maar als hij er straks meer gaat bouwen zal er in elk geval één geofferd moeten worden in een crash test.

'Nederland houdt niet van auto's, zoals de Britten van auto's houden. Als je in Nederland zelf een zeiljacht bouwt, vindt iedereen dat normaal en prijzenswaardig. Maar een auto, dan ben je gek. Dus daar zijn ook nauwelijks goede wettelijke regels voor.'

Wist De Bruijn trouwens al voordat hij begon. Daarom ook ging hij economie studeren, en later planologie, in plaats van autotechniek. Om een brede blik op de wereld te krijgen. Onderwijl begon hij met het maken van gereedschap en bouwtekeningen, 'iedereen verklaart je voor gek als je een auto bouwt en helemaal als je een autofabriek wil beginnen. Dus ik dacht: eerst aantonen dat ik het kan. En ik kan het.'

Het motto van Spyker was gesteld in Latijn en De Bruijn zal het graveren in de merkplaatjes op zijn Silvestris. Nulla tenaci invia estvia. Voor de aanhouder is geen weg onbegaanbaar.

Meer over