DE GIDSVakantieliefde

‘We kwamen een kennis tegen die zei: Hedde gullie verkering? We keken elkaar aan en zeiden: ja’

Beeld Max Kisman

Pubers Mary en Erick (nu beiden 61) zagen elkaar niet meteen als mogelijkheid, die zomer op camping de Wielewaal in 1975. Tot Mary chili con carne maakte en Erick nóg wel een bord bliefde. 

Mary, 61

‘Het was mijn eerste vakantie zonder ouders. Samen met vijf andere zestienjarige meisjes uit Brabant kampeerden we bij een boer in Cadzand. Ons vakantiegeld hadden we verdiend met aspergeschillen, iemand van de klompenmakerij van de vader van een van mijn vriendinnen, bracht ons naar camping De Wielewaal en van daaruit liftten we dagelijks naar het strand. Zorgeloos, bevrijd van het ouderlijk gezag, bleven we net zo lang in onze slaapzak liggen als wij zelf wilden, niemand die ons lastigviel, ook de Vlaamse jongens niet in wier Citroën DS we vaak meereden naar zee; ik voorin in het midden, zodat iedereen in de auto paste en telkens mijn billen opwippend als er geschakeld moest worden. 1975 was het, een mooie warme zomer.

Erick kwam pas in de laatste dagen, samen met een vriend. Hij was de ex van een van mijn vriendinnen en diende dus door de andere meisjes met rust te worden gelaten. Dat was sowieso de afspraak: geen jongens in de tent. Ik kende hem niet, maar vond hem meteen grappig, zoals hij tijdens het eten bij de Chinees, de huid van zijn hals in de breedte uitrekte en zei: ober, ober heeft u mijn eetstokjes gezien? Een van de momenten die me het meest is bijgebleven was de avond dat ik chili con carne maakte. Dat was iets nieuws voor ons dorpse gezelschap, waar thuis iedere avond aardappelen en groenten en macaroni met hamblokjes werd gegeten. Paprika was nog maar kort verkrijgbaar, net als chilipoeder. Bonenprut, noemden we het. Na het eerste bord keek Erick me vol bewondering aan en zei: Mag ik nog een bord, Mary? Ik was verrast. Het noemen van mijn naam maakte zijn eenvoudige verzoek bijna intiem. Hij liet niet alleen duidelijk merken dat hij wist hoe ik heette, maar ook dat hij waardeerde wat ik deed. Mag ik nog een bord, Mary? Zonder nadruk, maar de woorden net genoeg aangezet om mij bijzonder te laten voelen.

De rest van de vier dagen zag ik in alles een bevestiging van de broeierigheid die toen bij de bonenprut begonnen was. Niet alleen keek hij anders naar mij dan naar de rest, soms ook liet hij mij een shagje rollen uit zijn shagbuil. De andere meisjes vonden hem stil, maar ik vond hem vooral mooi. De mannenshorts waren in 1975 ultrakort, hij droeg een witte, zijn tennisbroek, dacht ik. Ik keek graag naar zijn lange bruine benen en begon plannen te maken voor na de vakantie, wanneer ik onze hond wat vaker zou uitlaten in de buurt van de tennisvelden waar hij tenniste. Maar toen gebeurde er op een middag een ongeluk. 

De zoon van de boer werd aangereden toen hij met zijn brommer het kampeerterrein wilde afrijden. Hij was van onze leeftijd. Ik kwam net terug uit de washokken, waar ik de vaat had gedaan, toen al mijn vriendinnen naar de plek van het ongeluk renden. Erick niet, hij zat voor de tent en op het moment dat ik achter mijn vriendinnen aan wilde, zei hij: doe maar niet, er zijn al genoeg mensen om te helpen, zoveel bekijks is voor zijn ouders alleen maar akelig. En weer werd ik geraakt door zijn eenvoudige woorden. Ik voelde me niet op mijn nummer gezet, in tegendeel, ik voelde me gezien. Vreemd, hoe juist dit soort details jarenlang bijblijven. Niet de grote daden, maar deze simpele aanmaning tot hoffelijkheid. Ik dacht: hij heeft gelijk. En ik was blij met hem te kunnen achterblijven.

Niet dat er toen meteen gezoend werd. Ik heb eerlijk gezegd geen idee meer wat er de rest van de middag is gebeurd. Die boerenzoon heeft het in ieder geval overleefd. Onze eerste zoen kwam toen we weer thuis waren, diezelfde zomer. Het was 24 augustus, het moet een zondag zijn geweest, want toen we met de hele vriendengroep Erick kwamen halen om naar het café Jan Bosch te gaan, zat hij met zijn vader Studio Sport te kijken. Die avond spraken we voor het eerst echt samen. We hadden het over mijn wens de verpleging in te gaan en zijn wens sportleraar te worden en toen het een uur of tien was, moest ik naar huis. Hij stak zijn hand op: houdoe. Tot ik zei: maar breng je me dan niet naar huis? Ineens werd hij wakker. Wil je dat dan?, vroeg hij verbaasd. En die avond, net een paar honderd meter van de straat waar ik woonde, buiten het zicht van mijn vader die op dit uur met de hond liep, zoenden we op het smalle pad naast de naaimachinewinkel. De volgende dag gingen we samen naar de kermis. We kwamen een kennis tegen, een paar jaar ouder dan wij, die vroeg: ‘Hedde gullie een bietje verkering hè.’ We keken elkaar aan en zeiden ‘ja’. Dat is nu vijfenveertig jaar geleden, we hebben drie kinderen en twee kleinkinderen en tussen Erick en mij is het nooit meer uit geweest.’

Erick, 61 

‘Ik had haar al eens eerder gezien, op een keer fietste ik met mijn toenmalige vriendinnetje naar ons Brabantse dorp en haalde Mary ons in op haar gele Tomos. Lang blond haar wapperde onder haar rode helm vandaan. Ze nam gas terug en riep iets. Wat weet ik niet meer, ik hoorde vooral dat ze niet sprak in het accent van de streek. Wie was deze exotische schoonheid? Hoe kon het dat wij in hetzelfde dorp woonden, en ik haar nooit had ontmoet? Haar broers bleken de coole gasten van café Het Pluuke, hun haar was nog langer dan dat van mij. Zij behoorden tot de alternatieve culturele scene. Ik woonde in een rijtjeswoning, zij in het chiquere deel van het dorp. En ook al had ik een Puch, ik begreep meteen: Mary was onbereikbaar, een meisje uit de eredivisie, waar ik hooguit de eerste divisie haalde – met geen enkel uitzicht op promotie. Dus toen ze die zomer van 1975 een van de zes meisjes bleek te zijn die mijn vriend en ik opzochten op camping De Wielewaal in Zeeland, was er van een onrustige hartenklop wat mij betreft geen sprake. Zij zat met een paar vriendinnen voor de tent toen we aankwamen, de rest was naar het strand. Haar toenmalige vriendje verbleef als ik me niet vergis ook op de camping, een sukkel. Een patsertje. Een blaaskaak.

Op een middag gebeurde er een ernstig ongeluk. De zoon van de boer werd aangereden door een auto, net toen hij de weg opdraaide. Mary’s vriendinnen renden erop af. Ook Mary wilde erheen, door sensatiezucht gedreven. Maar ik hield haar tegen. Wat ga je dan doen? Ben je daar nodig? Nu kan ze als verpleegkundige helpen, toen nog niet. ‘Ik zou niet gaan’, zei ik nog eens. ‘Oh’, zei ze, ‘oh, oké.’ Duidelijk niet gewend om zo te worden aangesproken. Ik handelde volslagen intuïtief, was er nog steeds van overtuigd dat ze niks van me wilde. Niets te verliezen hebben en iemand erg leuk vinden leidt kennelijk tot zuivere oprechtheid. Of misschien wilde ik gewoon voorkomen dat ze zou opstaan en van mij zou weglopen. Intussen merkte ik dat ik het erg fijn begon te vinden als ze mijn voornaam uitsprak. Het was net of ze daarmee duidelijk maakte dat ze me zag. Dat heb ik trouwens nog steeds, na vijfenveertig jaar, telkens als Mary mijn naam uitspreekt, ben ik even geraakt. Op een avond in die zomer van ’75 maakte Mary op de camping chili con carne met ananasschijven, dat vond ik erg lekker. En ineens vroeg ze: lust je nog wat, Erick? Ik was verrast, en antwoordde: Oh, lekker Mary. Ze ging niet het rijtje af, ze koos mij voor dat extra bord en hoewel het erg machtig was, had ik het hart niet om ook maar een hap te laten staan. Ze noemt me Erick, dacht ik.

Op die camping is niks gebeurd, het bleek ook dat de meisjes hadden afgesproken mij ongemoeid te laten omdat ik iets had gehad met een van hen. Maar ook toen we eenmaal terug waren in Brabant, schoot het niet op. Ik deed mijn best haar tegen te komen, dan maakten we een praatje en reden weer door. Ze zat nog steeds in de hoofdklasse, ik was geen partij voor haar. Het is aan Mary te danken dat we samen kwamen. Op een avond zaten we met zijn allen in Jan Bosch, een druk café met een dj, Mary en ik samen aan een tafel, pratend over van alles. Ik geloof dat ik een beetje aan het brallen was dat ik wilde gaan varen later, plannen waarvan ik toen al wist dat die veel te wild waren voor mij. Aan het einde van de avond zei ze dat ze naar huis ging, ik had moeten opspringen en zeggen: zal ik je naar huis brengen? Maar wist ik veel. Ik verstond die code niet. Ik had geen idee hoe mensen verkering kregen, dacht er niet over na. 

Zij moest me ermee om mijn oren slaan, toen pas begreep ik het. ‘Breng je me niet naar huis?’ ‘Maar wil je dat dan?’, stamelde ik. En daar liep ik even later, over straat, met het mooiste meisje van Jan Bosch. Mary nam de leiding, zij kende een steegje en toen gebeurde het. Holy moly, wat kon zij zoenen. Zo teder en lief was ik nog nooit gezoend. Ook dat is nu nog precies zo. Een dag later hadden we officieel verkering, 24 augustus 1975. Maar niet omdat ik haar vroeg. We liepen hand in hand over de kermis en kwamen een kennis tegen die zei: Hedde gullie verkering? We keken elkaar aan en zeiden: ja. Ik kon mijn geluk niet op. Heel lang ben ik nog blijven denken: straks wordt ze wakker en ziet dat ze zich vergist heeft, dat er andere jongens zijn, veel stoerder en leuker dan ik. En eigenlijk heb ik dat gevoel soms nog steeds. Op bedrijfsetentjes complimenteren collega’s mij altijd met mijn leuke vrouw. En laatst toen we weer even in Sint-Oedenrode waren, kwam er bij de bakker een man op haar af, die haar nog kende van vroeger. Ik was blij dat hij niet meer wist dat hoe ze heette. Iemand die haar niet bij haar naam noemde, kon geen bedreiging zijn.’

Meer over