Flaneren op de fiets

Met de introductie van de Vélib’, in 2007, is Parijs een fietsstad geworden. De doeltreffendste route: doorkruis de stad via beide oevers van de Seine....

Natuurlijk, Parijs is gemaakt om te flaneren. De trottoirs zijn breed, overal wachten doorkijkjes, eindeloze zichtlijnen en mooie gevels. En het wemelt van de fascinerende types, misschien net als jij wandelend zonder vooropgezet doel voor ogen.

Maar wie echt een indruk van de stad wil krijgen, wie de verhoudingen en afmetingen wil ervaren, pakt de fiets. Dat is gemakkelijker dan een paar jaar geleden. De zomer van 2007 zal de geschiedenis ingaan als het moment van de grote doorbraak. Met de introductie van de Vélib’ werd Parijs een fietsstad.

Op slag was het rijwiel niet meer een exotisch verschijnsel. Fietspaden worden aangelegd, overal staan groenwitte wegwijzers voor fietsers. Pijlen op het wegdek geven aan hoe de fietser zich een weg moet banen door het Parijse gekrioel.

Dat is geen overbodige luxe. Want ook al wordt de fiets la petite reine – de kleine koningin – genoemd, dat wil niet zeggen dat overal de rode loper wordt uitgerold. Fietsen in Parijs vraagt soms een zekere onverschrokkenheid. Maar voorlopig reageert de Parijse automobilist op de fietser als de wandelaar op een hert in het bos; hij wil zo’n merkwaardig schepsel niet aan het schrikken maken. Want vreemd zijn ze soms, die Parijse fietsers. Ze trekken gele hesjes aan voor de zichtbaarheid, monteren aan twee kanten spiegeltjes op het stuur, dragen een helm en handschoentjes.

De route van vandaag is even simpel als doeltreffend. We doorkruisen Parijs via beide oevers van de Seine. Dat heeft drie voordelen: bijna overal zijn fietspaden. Vanaf de oevers heb je ruim zicht op de vele monumentale gebouwen langs het water. En heel belangrijk: de kaart kan in de zak blijven; volg het water en alles wijst zich vanzelf.

De tocht begint bij de Porte de Plaisance de Paris-Arsenal, een onverwachte jachthaven aan de zuidkant van het plein La Bastille. Bij dat plein komt het Canal Saint-Martin boven water, na een ondergronds traject van enkele kilometers. De weg stroomopwaarts over de rechteroever brengt meteen al een Parijse eigenaardigheid: het officiële fietspad is niet zelden aan de linkerkant van de autoweg. Het is een kwestie van goed de bordjes volgen. De route leidt langs de hoofdkantoren van de metro (RATP) en de spoorwegen (SNCF) en onder het ministerie van Economische Zaken door, in de volksmond Bercy genoemd. Bij het ministerie ligt het snelle motorbootje waarmee mevrouw de minister zich naar het parlement laat brengen, een paar kilometer stroomafwaarts.

Meteen na het ministerie begint Parc de Bercy, aangelegd op de plek waar vroeger wijnpakhuizen stonden. Het is echt een park voor Parijzenaars, opgedeeld in kleinere tuinen met waterpartijen, heuveltjes en grasvelden. Aan het eind is Bercy-Village – in de gerenoveerde loodsen huizen nu cafés, restaurants en wijnhandels.

Aan de overkant van de Seine staan de vier torens van de Bibliothèque Mitterrand. Daarvoor fonkelt de nieuwste attractie: piscine Joséphine Baker, een luxueus zwembad dat compleet met kleedruimtes en zwemwater in de rivier drijft. Even verderop liggen een Chinese jonk, een Mississippi-stoomboot en een knalrood lichtschip afgemeerd alsof dat heel normaal is.

De laatste kans om de rivier over te steken voor de périphérique – de rondweg om Parijs – is de pont de Tolbiac. Draai daarna meteen rechts de linkeroever op, tussen bibliotheek en zwembad door. De Bibliothèque Nationale is zeker een bezoek waard. Al is het maar om de binnentuin met een woud van pijnbomen te bekijken, en je te verbazen over de kromme gedachte boeken als bron van kennis een zo hermetisch onderkomen te geven.

Ter hoogte van het Gare d’Austerlitz en de Jardin des Plantes begint een van de mooiste stukjes van het parcours: de jardin Tino Rossi, een beeldentuin aan het water. Het fietspad slingert langs de oever en biedt een wonderlijk intiem uitzicht op de kop van het île Saint-Louis, kleinste van de twee eilanden en oase van rust in de metropool. Hier splitst de Seine zich in tweeën en lijkt de stad oeroud.

Dit is het Parijs zoals burgemeester Bertrand Delanoë het zich droomt; een stad met het gezicht naar de rivier, zoals Lyon en Bordeaux. Het fietspad verandert in een klinkerweggetje langs het water. Soms moet je traptreden op of af, wat met de twintig kilo wegende Vélib’ nog een hele hijs is. Wie dat te zwaar vindt kan de officiële route over de Quai de la Tournelle nemen. Die ziet dan meteen een van de meest uitgesproken moderne gebouwen van Parijs: het Institut du Monde Arabe, ontworpen door Jean Nouvel. De panelen op de zuidflank reageren, via raderwerken, op de intensiteit van de zon. Het dakterras biedt een fantastisch uitzicht – de prijzen in het restaurant zijn navenant.

Dit is het oudste deel van de stad. Hier, bij de Square Viviani, is Shakespeare & Co, een prachtige boekhandel die bijna bezwijkt onder zijn last aan letteren. Aan de overkant van het water pronkt, op het Île de la Cité, de onvermijdelijke Notre Dame. De fietsroute leidt langs de gouden koepel van het Institut de France, brandpunt van de Franse wetenschap, en het Musée d’Orsay. Aan de overzijde liggen het Louvre en de Tuilerieën.

Fietsers delen hier de rijbaan met bussen en taxi’s, die overigens doorgaans ruim afstand houden. Op zondag is de expresweg, die even voorbij Orsay begint, gesloten voor auto’s. Dan is het er prachtig fietsen over zachtzoevend asfalt. Het gemeentebestuur wil dit deel van de oevers permanent afsluiten.

Vanaf hier loopt het fietspad bijna steeds pal langs het water. Schroom niet soms onder de slagbomen door te kruipen die de haventerreinen afsluiten voor autoverkeer – het maakt de route rustiger en mooier. Fietsers kunnen zo’n terrein aan het andere uiteinde weer verlaten.

We passeren intussen Musée Branly, het nieuwe museum voor niet-westerse kunst. Ook dit is een schepping van Nouvel. De door een glazen wand van de stad afgeschermde tuin is een oase van rust. Het museumrestaurant is een prima halteplaats.

Dankzij een tunnel onder de Pont d’Iena zijn de drommen bezoekers bij de Eiffeltoren te vermijden. Bij de dubbelloopsbrug Bir Hakeim (boven metro, onder auto’s) is het even opletten. Fietsers worden geacht schuin de rijweg over te steken, en dan het fietspad over het haventerrein op te rijden. In het midden van de Seine ligt hier de langwerpige Allée des cygnes – de Zwanenlaan; een wandeling over het water, die uitkomt bij een kopie van het mooiste cadeau dat de Fransen de Newyorkers schonken: het Vrijheidsbeeld.

In het Parc André Citroen stijgt net de luchtballon op die met lichtseinen de kwaliteit van de lucht boven Parijs weergeeft. In dit deel van de stad staan de hoofdkantoren van multimediale ondernemingen. Een klassieker is het ronde gebouw van Radio France, op de rechteroever.

In de verte doemt de périphérique op, met daarachter de eerste westelijke heuvels. Tijd om over te steken. De Pont Mirabeau leid naar het deftige zestiende arrondissement, waar aanvankelijk geen fietspad pal langs de rivier loopt. Via de Avenue de Versailles en de Avenue du Président Kennedy kom je bij Trocadéro, waar drommen Algerijnse supperters met vlaggen samenstromen om op een reuzenscherm de WK-wedstrijd tegen Slovenië te bekijken.

De Eiffeltoren ligt nu pal aan de overkant.. Het wemelt van de toeristen, die vaak met drommen tegelijk het smalle fietspad blokkeren. Even verderop glanst bij de Pont d’Alma de gouden vlam van de vriendschapsbanden tussen Frankrijk en de VS, een jaar of dertien geleden geconfisqueerd als gedenkplaats voor Lady Diana.

Even voorbij het Grand Palais begint weer zo’n fiets- en wandelpad pal langs de rivier. Het wegdek bestaat uit kasseien, je moet soms wat trappen nemen en tussen wandelaars door laveren. Maar het is wel aangenamer dan pal langs de auto’s fietsen – al is het jammer dat je het uitzicht op de Tuilerieën ervoor moet laten schieten. Onder de Pont du Carrousel oefent een eenzame saxofonist.

Ter hoogte van het Théâtre de la Ville is het met het fietspad gedaan; je wordt geacht een stuk tussen de auto’s en bussen door te spartelen. Bij het Île Saint-Luis verschijnt het pad weer, dit keer aan de linkerkant van de weg. Het brengt je terug naar het vertrekpunt, bij de jachthaven van la Bastille.

Waarna we allemaal het fietsliedje van Georges Moustaki aanheffen, de oude bard van het île Saint-Louis:

Q’ y-a-t-il de plus joli

Qu’une fille à bicyclette

Dans une jupe mini

Qui nous montre ses gambettes

(wat is er mooier dan een meisje op de fiets, die ons in minijurk haar benen toont).

Merci Monsieur Bertrand, zingt Moustaki. Met hem danken we de burgemeester die Parijs zijn fietsen en fietspaden schonk.

Lezen
‘Bouquinistes’ worden ze genoemd – de boekverkopers van de Seine. Er staan zo’n 940 boekenkisten langs beide rivieroevers. In gesloten toestand zijn het groengroezelige dozen met hangslot. Maar als de deksels open klappen, komen er schatten tevoorschijn.

Michelle Huchet Nordmann, die haar stalletjes aan de Quai de Conti heeft, pal naast de Pont des Arts, is nog een bouquiniste van het oude slag. Haar aanbod omvat eeuwenoude boeken over onderwerpen als Catharina de Medici, taxi’s van voor de Eerste Wereldoorlog en Pompeï – onderwerpen waarvan je niet wist dat je er meer van wilde weten.

Meer nog in het oog springen de stapels gravures van veldslagen, historische types, wonderlijke dieren, landkaarten of steden. Stadsgezichten op Rotterdam of Nijmegen moet je zoeken bij Les pays Nordiques. Fransen situeren Nederland graag ergens in de buurt van IJsland.

‘Ik weet niet of de Eskimo’s gravures maken, maar anders horen die er ook bij’, zegt Jean Richert, die namens Nordmann de zaak beheert. Hij opent de luiken rond half elf ’s morgens en hoort daarmee bij de vroege lichting. De hele dag draagt hij zachte groene handschoenen om zijn kwetsbare handelswaar niet te beschadigen.

De handel van de 235 bouquinistes langs de Seine staat onder druk. De gemeente vindt dat ze te veel rommel verkopen: in China geschilderde Sacré Coeurs, bumperstickers met I Love Paris en Eiffeltorens als sleutelhanger. Een recente verordening schrijft voor dat niet meer dan een kwart van de handelswaar daaruit mag bestaan.

Ook Richert heeft zo’n toeristentafeltje, met onderzetters, koelkastmagneten en Parijse monumenten à 2 euro per reproductie. ‘Dat brengt veel meer omzet dan de oude boeken en prenten’, zegt hij. ‘Er gaan maanden voorbij zonder dat iemand naar een spotprent van Daumier vraagt, hoe mooi die ook zijn. En Parijse klanten van jonger dan veertig jaar zijn zeldzaam.’

Een van de landkaarten toont het Parijs van 1642. Het Île Saint-Louis is nog onbebouwd, in Montmartre en Montparnasse staan alleen nog wat molens, her en der staan nog stadsmuren. Het deftige stukje stad waar we ons nu bevinden is dan het begin van het platteland. ‘Gek dat niemand zo’n kaart wil kopen’, zegt Richert. ‘Zoiets zet je toch meteen aan het dromen?’

Doen
De Vélib’ is het aangewezen vervoermiddel voor een fietstocht langs de Seine, of elders in Parijs. Er zijn overal stallingen, en de Vélib’ is met zijn drie versnellingen, verstelbaar zadel en mand op het voorwiel een praktisch vervoermiddel.

Maar let op: de Vélib’ is bedoeld voor korte trajecten. Fiets bijvoorbeeld naar Bercy-village, zet de fiets in de stalling, kijk wat rond en pak een andere Vélib’. Rijd daarmee naar het Institut du Monde Arabe, stal de fiets, pak de lift naar de bovenste verdieping, geniet van het uitzicht en neem weer een andere Vélib’. Zo is het systeem bedoeld. Op die manier kun je voor één euro de hele dag fietsen, de teller begint namelijk steeds weer bij nul. Bega dus niet de fout de fiets als een gewone huurfiets te beschouwen door hem op slot te zetten, dan een paar uur door een museum te gaan wandelen en vervolgens op dezelfde Vélib’ weer weg te rijden.

Een dagabonnement kost een euro. Daarna is het eerste half uur gratis. Het tweede half uur kost twee euro, elk volgende half uur vier euro. Dat alles geldt dus alleen als je steeds dezelfde fiets houdt. Voor meer uitleg www.fietsenparijs.nl, de site van Joke Radius, auteur van het prima boekwerk Parijs per fiets. Voor wie vaak terugkomt: een jaarkaart kost 29 euro.

Om een Vélib’ te huren heb je een creditcard met pincode of pinpas nodig. Toets in dat je een abonnement wilt. Beantwoord de vraag of je akkoord gaat met de borg van 150 euro met ‘ja’; het geld wordt pas afgeschreven als je je fiets nooit meer inlevert. Daarna voer je je pasje en pincode in, en een geheime code die je zelf bedenkt. Het apparaat geeft nu een kaartje met het nummer van je abonnement. Dan ga je terug naar het beginscherm, geef aan dat je wilt fietsen en een abonnement hebt. Je toetst het nummer van dat abonnement in en het apparaat laat zien welke fietsen beschikbaar zijn, hun nummers staan op de paaltjes waaraan ze vastzitten. Toets een nummer in en druk op de knop bovenop het bijbehorende paaltje. De fiets springt los.

Bij het inleveren klik je de fiets weer aan zo’n paaltje, dan stopt meteen de huurtijd. Soms is het even zoeken naar een stalling met vrije palen. Een overzicht van alle Vélib’stations: www.velib.paris.fr. Sinds kort worden de vrije stallingen via een iPhone-applicatie aangegeven.

Liever een gewone huurfiets? Gepetto & velos aan de Rue du Cardinal Lemoine 59 heeft Hollandse fietsen. Dat geldt ook voor HollandBikes op Rue Cardinal Lefebvre 77. Fietskaarten van Parijs zijn bij elke kiosk te koop.

Meer over