Zwart en wit, dood en leven

Jaap Goedegebuure promoveerde in 1981 op H. Marsman. Nogal wat passages uit zijn proefschrift keren met kleine wijzigingen terug in de biografie die hij aan hem wijdde....

HET VUUR smeult alleen nog na onder de as van een retorisch geworden taal. De poëzie van Marsman wordt weinig of niet meer gelezen. Wie zijn gedicht 'Willem Kloos' leest, denkt vanzelf aan Marsmans glorie van eens:

. . .toen hij verscheen, scheurde de hemel in een wilden glans en één uur lang is het hier brandend licht en warm geweest.

En aan het begin van zijn 'Herman Gorter' roept hij ook zichzelf op, want in zijn eigen taal:

Hij was van vuur, een golf, een vlam, een stromend stuk natuur, blinkend als water in den zomerdag.

De twee fragmenten zijn onmiddellijk als poëzie van Marsman herkenbaar: hij had, tot in zijn laatste bundel, Tempel en kruis, een zeer eigen beperkt idioom, dat gekenmerkt wordt door uitersten van zwart en wit, dood en leven. Op 20 mei 1940 - een maand voor zijn dood in zee - schreef hij op de achterzijde van een brief aan de Duitse schrijver Albert Vigoleis Thelen dit kwatrijn:

Hooger kunnen de golven van de wanhoop niet gaan, denkt het hart, ik ben aan het einde, door het donker bedol ven.

Kenmerkend voor Marsmans idioom is dat dezelfde woorden vaak voor de uitersten kunnen worden gebruikt. Dat geldt misschien vooral voor de 'zeewoorden', 'golf' in de twee geciteerde teksten bijvoorbeeld. 'Boot' bijvoorbeeld kan over de zee naar het paradijs leiden, maar 'boot' kan ook een dodenschip op zee zijn. In die dubbele geladenheid van woorden en metaforen is het idioom van Marsman uniek. Voor zijn vitalisme en wat zijn mortalisme is genoemd, kon hij soms dezelfde woorden gebruiken. Ik beken nog steeds de bekoring van die geladenheid met licht en donker te ondergaan, al zie ik ook wel hoezeer de dichter met zijn eigen idioom ook zijn eigen retoriek schiep. Ik kan nog altijd Tempel en kruis niet anders lezen dan als een indrukwekkende verwoording van de geest van de jaren dertig: die van ondergang en bezinning op de ultieme waarden.

Marsman heeft lange tijd een mythische gestalte gehad. Die was geschapen uit zijn poëzie. Voor Slauerhoff geldt hetzelfde. Wat uit zijn leven - en over zijn dood - bekend was, werd in die mythe opgenomen. Misschien was de opvallendste trek aan die gestalte die van een eeuwige jeugd, iets jongensachtigs ook, zeker in de vergrotingen uit zijn vroege poëzie ('Groots en meeslepend wil ik leven'). Nog meer dan een mythische was hij een dichtergestalte (misschien vallen die twee wel samen): dé dichtergestalte van het interbellum.

De uitersten zijn niet alleen die van leven en dood. Ze zijn ook noord en zuid - het Germaanse en het Romaanse -, christendom en klassieke cultuur. Zijn dichten en denken zijn een opeenvolging van heftige tegenstellingen. Wanneer hij in de jaren twintig de bekoring kent van het rooms-katholicisme, is dat een zeer radicaal katholicisme, met sterk Pascaliaanse trekken. De bekoring door de radicaliteit kende hij ook in het fascisme. Al die radicaliteiten zijn onder te brengen in zijn vitalisme, dat nooit zonder verachting van de middelmaat kon. Hij dacht en dichtte altijd in de hoogste versnelling.

Er is vrij veel over Marsman geschreven. Daaronder dissertaties. In 1981 promoveerde Jaap Goedegebuure op Marsman met het proefschrift Op zoek naar een bezield verband. De ondertitel ervan is De literaire en maatschappelijke opvattingen van H. Marsman in de context van zijn tijd. In het tweede deel van de uitgave was een groot aantal teksten bijeengebracht - poëzie en proza - die Marsman buiten de strikte canon van het Verzameld werk (1938) had gehouden.

De studie is helder, strak gebouwd en geeft een welhaast volledig beeld van Marsmans werk, van zijn functioneren binnen de toenmalige Nederlandse letterkunde, van zijn sociale, religieuze en politieke denken (ook binnen het raam van de tijd) en van zijn leven. Het boek kon een indringend beeld van de dichter geven: als weinigen heeft hij zelf zijn vele bewustwordingsprocessen gevolgd, gewogen, al of niet in confrontatie met anderen uitgeschreven. Marsman is de dichter en schrijver van de stellingname, ook tegenover zichzelf.

Herneming leidt meestal tot verzwakking. Goedegebuure heeft nu een biografie van Marsman geschreven. Zee, berg, rivier is de titel. Het boek is vrij omvangrijk; het lijkt mij niet onmogelijk dat die omvang mede de oorzaak is van het soms wat rommelige karakter ervan. De helderheid en strakheid van de studie ontbreken. Goedegebuure is de typische essayist voor wie beknoptheid karakteristiek is. De biografie is een verhaal en vraagt andere schrijfkwaliteiten, een heel ander vermogen tot ordening ook, dan het essay en de literatuurstudie. De essayist kan, als hij over het oeuvre van iemand schrijft, de chronologie voortdurend doorbreken; een werk is samenhangender dan een leven.

In zijn biografie maakt Goedegebuure erg vaak een bepaald aspect van Marsmans leven even helemaal af, waarna de lezer niet meer weet waar in het leven hij ook alweer is. Wie de verbindingen in de tijd verbreekt, schept een lichte chaos. Anderzijds: waar een aantal weinig of niet samenhangende gebeurtenissen achtereen wordt beschreven, ontstaat ook de vraag naar de structuur van het verhaal en daarmee naar het belang van de mededelingen.

Een enkel voorbeeld: op pagina 200 onderaan staat een alinea over Marsmans ongeneeslijke afkeer van het socialisme, met enkele chronologisch ver uiteen liggende bewijzen ervan. De eerste alinea op pagina 201 handelt over Marsmans terugkeer naar de literaire dagbladkritiek; de erop volgende alinea vertelt dat Marsman in 1926, ondanks de impasse waarin hij verkeert, een gedicht afstaat voor een jaarboek. De daarop volgende alinea begint dan zo: 'Misschien had hij bewust of onbewust, zijn creatieve aandriften wel even op een laag pitje gezet, omdat het de hoogste tijd werd de rechtenstudie eens af te ronden. Gemakkelijk viel hem dat 'stom pompwerk' niet.' Dat zijn de kalenderblaadjes die hoogstens tot het materiaal voor een biografie horen.

Een ander voorbeeld van gebrek aan ordening. Op pagina 274 staat na een witregel deze alinea:

'Het hele verdere voorjaar en de zomer van 1934 bleef Marsman geabsorbeerd door politieke, ideologische en filosofische geschriften. Nadat Rien (Marsmans vrouw; K.F.) begin september vanuit München naar Nederland was gegaan om er haar werk als onderwijzeres te hervatten, koos hij van de achtste van die maand domicilie in Wenen. Hij bracht er zijn dagen door in de bibliotheek, alweer om zich te documenteren voor één of meer artikelen over Nietzsche, of misschien wel een complete studie over de filosoof, die steeds meer greep op zijn denken kreeg.' In de volgende alinea is het november en is Marsman terug in Utrecht. Maar dan schuift alles weer terug naar de zomer en het verblijf in Italië, waarop literaire en literair-politieke passages volgen. En dan lezen we - na een witregel - op pagina 281 een passage die zo begint:

'Na Riens vertrek naar Utrecht ging Marsman alleen via Salzburg naar Wenen, waar hij onderdak vond via een zekere Jan Coebergh, een kennis uit Zeist. De Oostenrijkse hoofdstad viel hem niet echt mee, maar net als in München kon hij er terecht in een welvoorziene bibliotheek. Dus bleef hij een kleine drie weken op zoek naar de nodige documentatie voor de cultuurfilosofische beschouwingen die hij zich had voorgenomen te schrijven.'

Zo'n slecht geheugen voor eigen mededelingen is wat wonderlijk, juist daar de schrijver een goed geheugen toont voor wat hij zeventien jaar geleden in zijn dissertatie heeft geschreven. Nogal wat pasages daaruit keren met kleine wijzigingen in de biografie terug, met soms uitbreidingen erop volgend.

De onoverzichtelijkheid begint al meteen aan het begin, in de bladzijden over Marsmans jeugd. De dichter heeft zijn jonge jaren zelf beschreven. Voortdurend worden de feitelijke gegevens geconfronteerd met de biografische verdichtingen van Marsman, zonder dat dat veel verheldert. Door die vergelijkingen komt de biografie heel moeizaam en wat onoverzichtelijk op gang; vaart krijgt ze nergens. Echte kracht krijgt het boek pas tegen het einde: in het verhaal over Marsmans laatste weken in Bordeaux en in het verslag van de ondergang van zijn doodsschip, de Berenice van de KNSM. Die bladzijden zijn haast een heel goed kort verhaal, gebeurtenisrijk, spannend, donker van wanhoop, de waanzin van die zomer van 1940 aangevend. De kracht ervan kan de zwakheid van een groot deel van het boek verklaren: er gebeurt uiterlijk niet zo verschrikkelijk veel in Marsmans leven.

Zijn geschiedenis is een innerlijke, in de ontwikkeling waarvan uiterlijke omstandigheden, vrienden, vrouwen en collega-schrijvers een bepalende, vaak katalyserende rol spelen. Kortom: zijn verhaal is dat zoals het staat beschreven in Goedegebuure's Op zoek naar een bezield verband. Daarin worden uiterlijke en innerlijke geschiedenis, werk, de wereld en de tijd van Marsman in een zinvol verband geplaatst, en dat zeer uitgebalanceerd.

Natuurlijk is de biografie veel feitenrijker dan de studie. Maar al die feiten voegen niet zoveel toe aan het bekende beeld, mede doordat ze niet goed georganiseerd zijn. De feiten krijgen ook nogal vaak te veel nutteloze toevoegingen, wat de stijl niet ten goede komt. Op bladzijde 260 lees ik: 'Het antwoord op de vraag had du Perron kunnen vinden in een brief aan Emmy van Lokhorst, gesteld dat hij die had kunnen inzien.' Ronduit komisch wordt de volledigheid op pagina 294: voor verdieping van zijn kennis van het oude christendom zoekt Marsman contact met de theoloog Miskotte. Hij wordt meteen weer van een hang naar het christendom verdacht. 'De gedachte was niet zo gek, want Miskotte onderhield veel contacten met andersdenkenden en nam tijdens de oorlogsjaren zelfs het pastoraat onder buitenkerkelijke intellectuelen in Amsterdam-Zuid waar.'

De biograaf van een schrijver dient al diens werk in zijn levensbeschrijving te betrekken. Dat betekent in het geval van Marsman dat ook diens nauwelijks geslaagde proza, dat glanst van de saaiheid, aan de orde moet komen. Goedegebuure doet het uitvoerig en zo dat de saaiheid nog extra glans krijgt. Bij de poëzie wordt Goedegebuure's stijl meteen veel levendiger. Waarmee ongewild bewezen wordt dat van Marsman alleen nog diens poëzie van belang is, die ook nu nog inspirererend werkt. En dat is een gelukkige bijkomstigheid van deze helaas, helaas, mislukte biografie.

Meer over