ZWALKEN NA THE CLASH

Het botste geregeld tussen de voormannen van punkgroep The Clash. Maar Joe Strummer en Mick Jones hadden elkaar ook hard nodig....

Door GIJSBERT KAMER

Negentien jaar hadden ze samen niet meer op het podium gestaan, Mick Jones en Joe Strummer van de Londense proto-punkband The Clash. Maar op vrijdag 15 november 2002 toen Strummer in Acton, Londen een benefiet optreden deed voor de stakende brandweer, klom Jones met zijn gitaar ineens weer het podium op. Samen zongen ze nog een keer de oude Clash-hits: Bankrobber, White Riot, en London’s Burning. Het zou meteen de laatste keer zijn, want vijf weken later, op 22 december overleed Strummer, 50 jaar oud, aan een tot dan toe onopgemerkte hartafwijking. De verzoening tussen beide muzikanten was dus net op tijd en kwam op een moment dat Strummer muzikaal eindelijk zijn plek weer leek te hebben gevonden met zijn band The Mescaleros.

Dat het hem moeizaam is afgegaan sinds hij in 1985 The Clash had ontbonden (Mick Jones was toen al uit de band gezet, zonder hem had de band zijn bedroevende zwanenzang Cut The Crap uitgebracht), wordt wel duidelijk na lezing van Redemption Song, The Definitive Biography of Joe Strummer van de Britse journalist Chris Salewicz. Een boek als een baksteen van ruim 650 dik bedrukte pagina’s, dat voor een groot deel het verhaal vertelt over Strummer en The Clash, zoals dat al vaker en ook beter gedaan is in bijvoorbeeld Pat Gilberts twee jaar geleden verschenen bandbiografie Passion Is A Fashion, of door de band zelf in Don Letts’ voorbeeldige documentaire Westway To The World uit 1999.

Het blijft niettemin fascinerende lectuur over de Londense band die vanaf 1976 samen met de Sex Pistols de popgeschiedenis op zijn kop zou zetten. Strummer zou de meeste teksten leveren, en gitarist Mick Jones de meeste muziek componeren, maar ook bassist Paul Simonon en drummer Topper Headon leverden hun compositorische bijdragen in publieksfavorieten Guns Of Brixton (Simonon) en Rock The Casbah (Headon).

Inmiddels gelden met name het debuutalbum The Clash uit 1977 en London Calling, de dubbel-lp uit 1979, als hoogtepunten in de popgeschiedenis, maar het is aardig te lezen hoe terloops en met hoeveel frictie tussen de bandleden onderling en de band en de platenmaatschappij deze platen tot stand gekomen zijn. Strummer en Jones konden moeilijk met elkaar overweg maar hadden elkaar toch nodig, zo blijkt achteraf. Strummer heeft zijn bevlogen teksten nooit meer zo treffend muzikaal weten vorm te geven als in zijn Clash-dagen, terwijl Mick Jones met zijn band Big Audio Dynamite wel het geluid van het moment wist te vangen, maar er zelden een Clash-urgentie aan kon geven.

Het is begrijpelijk maar toch jammer dat Salewicz, die behoorde tot de intimi van The Clash, gekozen heeft voor een Strummer-biografie, maar na lezing bekruipt je toch het gevoel dat Mick Jones of anders op z’n minst de relatie Strummer-Jones een interessanter onderwerp was geweest. Niet alleen krijg je een steeds grotere weerzin tegen de tamelijk egocentrische Strummer, ook maakt Salewicz niet inzichtelijk hoe talentvol en belangrijk zijn onderwerp nu werkelijk was.

Strummer rommelt na het uiteenvallen van The Clash al zuipend en vreemdgaand eigenlijk maar wat aan. Vanaf dat moment heeft Salewicz een weinig besproken periode uit Strummers leven in handen, maar veel wijzer worden we niet. Veel te gedetailleerd beschrijft de auteur alle opnamesessies voor zijn geflopte solo-plaat en zijn weinig urgente werk met zijn laatste band The Mescaleros. Als hij niet op tour is, hangt hij in de kroeg met zijn drinkebroers Keith Allen (acteur en de vader van Lily) en beeldend kunstenaar Damien Hirst. Ongewild maakt Salewicz van Strummer een beetje een pathetische figuur, die maar niet onder ogen wil zien dat hij echt een talent als Jones nodig heeft om zelf te kunnen floreren.

Dat The Clash thans weer in de mode is en hun muziek doorklinkt in succesvolle nieuwe Britse bands als Hard-Fi en Babyshambles lijkt ook eerder te komen door Jones dan door Strummer, wiens dood uiteindelijk weinig te weeg heeft gebracht. Jones was het die de platen produceerde van een van de meest invloedrijke bands van de laatste jaren, The Libertines. En als je het veelzijdige geluid van het in eigen land verguisde maar toch baanbrekende driedubbelalbum Sandinista! van The Clash uit 1980 ergens in terughoort, dan is het in de door Jones geproduceerde muziek van Pete Doherty’s Babyshambles.

Sympathiek is de wederdienst van Doherty op de net verschenen Babyshambles-single Janie Jones, een cover van The Clash. Maar The Clash wordt dezer dagen de meeste dienst bewezen door de heruitgave van alle negentien singles, met originele hoesjes en b-kantjes, leverbaar als cd-box maar ook als vinylsingle-box. Een buitengewoon sterke collectie nummers, waarvan velen destijds niet op elpee terecht kwamen. Liever herinneren we ons Joe Strummer als schrijver en zanger van de zesde Clash-single (White Man) In Hammersmith Palais dan als de hevig tobbende en creatief zwalkende man zoals die uit Salewicz’ boek opdoemt.

En laat dan nu iemand zich maar eens wagen aan een biografie van Mick Jones.

Meer over