Boeken

Zola’s vroege roman Thérèse Raquin is een heerlijk boek vol verschrikkelijke mensen ★★★★☆

In zijn heruitgegeven succesroman houdt Émile Zola de vaart erin en wisselt hij horror af met slapstick. Titelheldin Thérèse Raquin is een typisch 19de-eeuwse femme fatale.

null Beeld Olivier Heiligers
Beeld Olivier Heiligers

In 1867 schokt Émile Zola (1840-1902) de Parijse critici met de ‘verdorven’ roman Thérèse Raquin. Niets is zo goed voor de verkoop als een lekker mediaschandaaltje. Het is zijn eerste succes als romanschrijver. En een welkom succes. Want journalist en criticus Zola heeft een jaar eerder zijn vaste baan op de publiciteitsafdeling van uitgeverij Hachette eraan gegeven om voortaan volledig te leven van zijn pen.

Het is een mager jaar. Eerder al waren zijn toneelstukken een mislukking, een verhalenbundel en twee romans zijn door de pers welwillend ontvangen, maar hebben verder niet veel gedaan. Zijn journalistieke werk, dat hem nog van pas zal komen bij het schrijven van fictie, levert hem net genoeg op om van te leven.

Het is een slimme zet geweest van Zola om na Madame Bovary (Gustave Flaubert, 1857) en Germinie Lacerteux (Jules en Edmond de Goncourt, 1865) zijn roman te vernoemen naar de aanstichtster van alle ellende, Thérèse Raquin, een femme fatale zoals je ze alleen in de 19de eeuw tegenkomt.

Door haar gemengde afkomst – een Franse kapitein als vader en een Algerijnse als moeder – stroomt er Afrikaans bloed door haar aderen. Daar heb je het al. Met haar verzengende hartstocht, grillige karakter en ‘katachtige souplesse’ weet ze de eenvoudige, luie en voor plezier in de wieg gelegde boerenzoon Laurent het hoofd op hol te brengen. De minnaars gebruiken de echtelijke slaapkamer van Thérèse, boven de fourniturenwinkel van haar schoonmoeder; een stoffige, vochtige, troosteloze ruimte in een smerig en donker achterafstraatje in Parijs. Moedertje Raquin past intussen nietsvermoedend op de winkel.

Thérèses echtgenoot Camille is een ziekelijk en verwend moederskindje, een slapjanus met weinig andere eigenschappen dan afgunst jegens hen die meer verdienen dan hij. Bovendien zijn de echtgenoten neef en nicht, wat al duidt op degeneratie en een slechte afloop. Geen wonder dat Thérèse zich aangetrokken voelt tot de potige Laurent, een jeugdvriend van Camille, met zijn stierennek.

Naturalisme

Thérèse Raquin is nu opnieuw verkrijgbaar in het Nederlands, in een mooie uitgave waarvoor de vertaling is herzien. Het is een vroeg en mede daardoor interessant werk in het oeuvre van Zola (en maakt, anders dan op de achterflap vermeld staat, geen deel uit van Zola’s levenswerk, de twintigdelige romancyclus Les Rougon-Macquart, waaraan hij later begint).

De jonge schrijver begeeft zich hiermee op het pad van het naturalisme, de stroming in de schilderkunst en literatuur die het leven naar de natuur wil weergeven. Émile Zola heeft duidelijke ideeën over waar het heen moet. De romantiek heeft haar tijd gehad, vindt hij. Onder invloed van het werk van Charles Darwin en het onderzoek naar erfelijkheidsleer en de menselijke psyche, dat in die tijd opkomt, wil hij de wetenschap de literatuur binnenhalen. Hij ziet zijn personages als studieobjecten die hij observeert en aan experimenten onderwerpt.

Na de unanieme verontwaardiging van de pers – Le Figaro gaat voorop en kopt met ‘verrotte literatuur’– schrijft Zola voor de tweede druk een voorwoord waarin hij zijn bedoelingen nog maar eens uitlegt. De verontwaardiging was niet nodig geweest, schrijft hij, als zijn vakgenoten beter hadden gelezen en niet ‘de tere zieltjes [zouden] hebben van jongedames’. Op ongeveer tweederde van de roman – Camille is al op pagina 84 vermoord, Zola houdt de vaart erin – verklaart hij uitgebreid waarom het de voormalige minnaars, nu moordenaars, zo slecht vergaat. Vóór de moord op Camille vulden ze elkaar aan en had de ‘onbuigzame, nerveuze natuur’ van Thérèse een goede uitwerking op het ‘botte, sanguinische karakter’ van Laurent. Nu is dat mechanisme verstoord.

Uitzichtloze hel

Onbewogen beschrijft Zola de uitzichtloze hel waarin ze terecht zijn gekomen: ze slapen niet meer en lijden aan gruwelijke wanen waarin het koude, half vergane lijk van Camille opeens tussen hen in ligt. Ze zijn prikkelbaar, agressief en ten prooi aan redeloze angst en paniek. Nu zouden we zeggen: ze hebben een posttraumatische stressstoornis.

Ook de lezer verlangt op een gegeven moment naar een einde aan deze verschrikkelijke dagen en horrornachten waarin zelfs de kat van de Raquins het moet ontgelden en traag en kermend met een gebroken rug aan zijn einde komt. Gelukkig voorziet Zola ook in bijna slapstickachtige scènes, soms in een enkel beeld, om het geheel wat lucht te geven.

De oude mevrouw Raquin, die tot aan haar ogen verlamd is geraakt (praten lukt niet met een verlamde tong, slikken wonderbaarlijk genoeg wél, waardoor ze met wat suspension of disbelief kan blijven leven) probeert met haar laatste krachten de moordenaars te ontmaskeren bij hun intieme vrienden, oud-politiecommissaris Michaud, zijn zoon Olivier en Grivet, de chef van Camille, die bij de spoorwegen werkte. De scène is niet alleen spannend, maar dankzij de stupiditeit van Grivet ook hilarisch.

Net als die andere heruitgave van Émile Zola bij uitgeverij L.J. Veen, In het paradijs voor de vrouw, is Thérèse Raquin een heerlijk en huiveringwekkend boek vol verschrikkelijke mensen die alleen aan zichzelf denken.

null Beeld L.J. Veen
Beeld L.J. Veen

Émile Zola: Thérèse Raquin. Uit het Frans vertaald door Jelle Noorman. L.J. Veen; 255 pagina’s; € 17,50.

Meer over