Zoeken naar de juiste intonatie

Hij heeft zijn moeder nog gebeld om te vragen hoe zijn vader dat vroeger deed: spelen én regisseren. Stukje bij stukje is Hollandia-acteur Jeroen Willems bezig het regisseursvak te verkennen....

KEUREND BEKIJKT hij zichzelf, de ogen een beetje dichtgeknepen, het hoofd een tikje scheef. In de manshoge spiegel maakt het colbert hem breder, de snor ouder, het platgekamde haar fatterig. Hij probeert een ander jasje, kan niet besluiten. Een regisseur om de knoop door te hakken is er niet. Jeroen Willems (36) is voor het eerst acteur en regisseur tegelijk. 'Behoorlijk verwarrend. Als ik speel en steeds op het toneel ben, is het onmogelijk overzicht te houden. Eigenlijk kan het niet.'

Oorspronkelijk zou hij deze voorstelling alleen maar regisseren, maar er viel een acteur uit, dus ging hij zelf de vloer op. Die ochtend heeft hij zijn moeder nog gebeld om te vragen hoe zijn vader dat vroeger deed, spelen én regisseren.

Sinds vorig jaar verkent de acteur voorzichtig het terrein van de regie. Niet uit gebrek aan erkenning voor zijn spel: Jeroen Willems kreeg vier jaar geleden de Mary Dresselhuysprijs voor de beste acteur, en zijn solo Twee Stemmen won in 1997 de grote Theaterfestivalprijs. Die productie speelt hij momenteel volop in het Duits en het Engels, door heel Europa. In oktober staat hij zelfs drie weken in New York. Zijn eerste regie bij Hollandia vorig seizoen, Wolf en Deken, was ook al een succes.

Toch heeft hij niets van een golden boy. Tijdens de repetities van Vroeger van Pinter oogt hij eerder een beetje zorgelijk. Hij voelt zich verantwoordelijk, al maken ze deze voorstelling met zijn drieën: met Frieda Pittoors en Jacqueline Blom. Hij speelt de veertigplusser Deeley (een 'lul'), echtgenoot van de stille, dromerige Kate. Op hun boerderij komt Anna op bezoek, Kate's vroegere vriendin. Twintig jaar hebben ze elkaar niet gezien. Ze halen herinneringen op, maar ieder heeft haar eigen verhaal over vroeger. Het bezoek draait uit op een taaie machtsstrijd.

'Tak tak tak, met van die korte zinnetjes slaan ze mekaar om de oren', zegt Willems. 'Ze manipuleren als gekken met de feiten uit het verleden. Net de Bijlmer-enquête.'

In hoeverre de herinnering wordt ingekleurd door de fantasie blijft in het midden. Met zijn ondoorgrondelijke blik houdt Willems de dialoog Pinteriaans raadselachtig. Tijdens de repetitie loopt de broeierige sfeer tussen hem en Anna hoog op. Frieda Pittoors (Anna) doorbreekt de spanning door als een kind op het bed op en neer te gaan wippen. Even later barst het tweetal spontaan uit in een fifties-song.

Willems: 'We bedenken van alles om Pinters realisme te omzeilen, maar hij is ongelofelijk dwingend. Hij werpt je steeds terug op die zinnetjes.'

Met zijn brillantine-haar zou hij niet misstaan in een dandy-film. Op het toneel is hij een ongrijpbare, intrigerende verschijning, vooral zijn stem blijft je bij. Het ene moment is die van donker fluweel, dan weer plagerig, vals, spottend. Of stamelend, zoekend naar de juiste intonatie.

Met een wat gegeneerd lachje: 'Die stem is mijn kracht en mijn zwakte. Ik heb de neiging alle kanten uit te schieten. Als ik geen keuze maak, krijg je een scala waarvan je misschien denkt: goh wat knap. Maar dat is het laatste wat ik wil.'

Was hij geen acteur, hij zou zanger zijn. Dat komt goed uit want Hollandia, het gezelschap waaraan hij is verbonden, maakt theater voor de oren. 'Klank, muzikaliteit, geen groep besteedt daar zoveel aandacht aan.' Met collega Peter Paul Muller zou hij het liefst een avond lang aria's zingen, er bestaan plannen voor een Monteverdi-project, maar het is er nog niet van gekomen. 'Muziek is de kunstvorm die je het diepst kan raken en tegelijk de meest abstracte van allemaal. Mensen realiseren zich niet hoeveel ze puur met hun oren registreren.'

Dat merkte hij vorig jaar, toen hij drie weken roerloos in het ziekenhuis moest liggen met een verband over zijn ogen, niet wetend of hij ooit nog goed zou kunnen zien. Een ongeluk. Tijdens een voorstelling van De Perzen kreeg hij schuim in zijn ogen. Eerst had hij niks in de gaten, het brandde, maar hij ging gewoon door. Na het applaus, twintig minuten later, zaten zijn ogen vol witte blazen. Het Dreft-sopje had zijn hoornvlies aangetast. 'Ze hebben me meteen naar het Oogziekenhuis gebracht, de hele nacht hebben ze mijn ogen gespoeld. Het deed ongelofelijke pijn. Iedereen zei achteraf: waarom ben je niet met spelen gestopt? Maar dat doe je niet. Je maakt het af.'

ZEVENTIEN WAS hij toen hij besloot naar de toneelschool te gaan. Zeven keer probeerde hij door de selectie te komen, in Maastricht, Arnhem en Kampen. Amsterdam kon hij niet betalen. 'Te ver, we woonden in Heerlen.' In Maastricht had hij succes, ook zijn vader was daar opgeleid tot dramadocent. Híj koos voor acteren. Toch was hij niet zo'n kind dat al jong het toneel op wilde, hoewel dat wel voor de hand lag met een vader die zoveel regisseerde. Hij werkte met amateurs, ook op de middelbare school waar hij les gaf. 'Mijn moeder speelde ook toneel, thuis werd er altijd gerepeteerd. Als kind hoorde ik 's avonds vanuit mijn bed hoe in de huiskamer de Elckerlijc werd gelezen.'

Een aantal docenten dweepte met hem, anderen waren niet bepaald kapot van zijn spel. Het is nog steeds zo. Wat de ene criticus als superieur acteerwerk beschouwt, vindt een ander neurotisch of gemaniëreerd. 'Na Mystiek Lichaam kreeg ik een lading kritiek over me heen. Dat was een klap, maar niet onverwacht. Ik was al jaren bang dat mensen zouden zeggen: daar heb je Willems weer. Virtuositeit probeer ik juist te vermijden. Alles hangt op samenspel, dat moet je elke keer weer bevechten. Openstaan voor wat er op het moment gebeurt. Niet terugvallen op techniek.'

Bij Leone en Lena ontdekte hij voor het eerst dat het elke keer anders kan zijn, als je maar durft. 'Ik keek het publiek recht aan. Dat geeft een heel andere concentratie. Het maakt je alert, maar het kan je ook mateloos in de war brengen. Want je ziet de mensen reageren. En je denkt: zie je wel, hij verveelt zich, of: zij luistert niet. Toch is toneel gebaat bij dat soort actualiteit. Het leeft, verandert, beweegt. Daarom is het ook zo onvoorspelbaar.' Gelooft hij in voortekens, rituelen? 'Een koffievlek op het script, dat brengt geluk.'

Na de Toneelschool stond hij er voor het eerst helemaal alleen voor. 'Die school was toch een verlengstuk van de moederschoot, je werd geregeerd en gekoesterd.' Aanbiedingen genoeg, van Toneelgroep Amsterdam en het Nationale Toneel, maar hij wilde weg. 'Dan maar echt de grote boze wereld in.'

Een half jaar zwierf hij door Turkije, leerde Turks, werkte op een scheepswerf en bivakkeerde in een klein bergdorp. 'Ik dacht daar uit te kunnen leggen dat ik acteur was. Dat ze ooit van Shakespeare hadden gehoord. Niks. Er moest hout worden gehakt in het bos. Anders zou het te koud zijn die winter.'

Twijfel of hij door moet gaan, is er voortdurend. 'Ik dacht altijd: als ik dit tien jaar volhoud, is het mooi.' Misschien is acteren zijn leven, maar hij wil het niet zo zien. 'Dit vak is zo dubbel. Je bent ijdel, zoekt bevestiging, daarvan ben je afhankelijk. Het begint al op zo'n school, zij zeggen of je goed bent of niet. Vervolgens ben je daar dag in dag uit mee bezig.'

Herhaaldelijk onderbreekt Willems het gesprek met 'dit is onzin wat ik nu zeg. . .'. Die zelfcensuur, hij vecht er zijn hele leven al mee. 'Ik wil juist stelling nemen, uitspraken doen. Op het toneel is dat makkelijker dan daarbuiten. Als ik zelf iets vind, denk ik meteen: wacht even, er is ook nog een andere kant.'

ERGENS TUSSEN zijn tiende en zijn twintigste is hij extreem verlegen geworden. Misschien na de dood van zijn vader. Die stierf toen hij vijftien was. 'Kanker, hij was in drie maanden weg. Ik kreeg niet eens tijd om het identificatiemodel omver te schoppen. Het was totaal onbegrijpelijk. Sindsdien weet ik dat je nergens zeker van kunt zijn. Mijn vader en moeder waren elkaars grote liefde. Ze hebben elkaar pas op hun dertigste ontmoet. De rest van je leven? Dat heeft voor hen maar achttien jaar geduurd.'

Inmiddels speelt hij tien jaar bij Hollandia. 'Ik had beroemder kunnen zijn, het grote toneel op kunnen gaan. Maar dit is de weg die bij mij hoort. Ik wil meer dan in een toneelstukje spelen. Daarom voel ik me hier op mijn plek, hier word je op meer aangesproken dan op het spelen.'

Voor Twee Stemmen las hij zo'n beetje alles van Pasolini. Tot hij vijf monologen had over bazen van multinationals, captains of industry. En een redevoering van de directeur van de Shell. Met regisseur Johan Simons maakte hij er een onthutsende voorstelling van, waarin hij het publiek zes verschillende personages voortovert, subliem en uitdagend transformerend van de een in de ander.

'Mijn grootste angst was dat het als acteursstunt zou worden gezien. Goddank zag men vooral wat ik ermee wilde zeggen. Duitse critici noemden het zelfs nieuw politiek theater. Zo zijn we er nooit aan begonnen, daarvoor was de tekst te poëtisch, te barok. Het gaat ook over vaders en zonen, over vergankelijkheid. Maar het kaart wel een realiteit aan waarvoor wij liever de ogen sluiten: corruptie en macht.'

Hij haast zich eraan toe te voegen dat hij zelf ook niet afkerig is van geld. 'Het is soms niet onbelangrijk. Ik ben ook maar een salonlul die nu een keer zijn mond opendoet. Soms val ik ook voor een schnabbel, zoals laatst een gastrolletje in Spangen met Monique van de Ven. Vroeger keek ik tegen haar op, nu werd ik gevraagd om haar minnaar te spelen. Het was hartstikke leuk.'

TOEN HIJ vier jaar geleden de Mary Dresselhuysprijs kreeg, bedacht hij dat die 25 duizend gulden eigenlijk naar goede doelen moest. Tegelijkertijd wilde hij het geld beleggen. 'Ik heb geen van beide gedaan, het staat rustig op een spaarrekening.'

Een vriendin gaf hem de opdracht van die prijs te genieten. Genieten ligt hem niet zo. 'Ergens plezier aan beleven, wordt je op school niet geleerd. Nu ik zelf lesgeef, probeer ik daar steeds de nadruk op te leggen.' Inmiddels heeft hij op de toneelschool ook geregisseerd. Het beviel goed, ondanks de slapeloze nachten. 'Ineens was ik weer terug op school waar mijn oude docenten kwamen kijken.'

Gelukkig is hij van het idee af dat je alleen maar regisseur kunt zijn als je grote, allesomvattende ideeën hebt over de wereld en de mensheid. Hij wil meer gaan regisseren. 'Zo'n enorme stap is het niet, tenslotte moet een speler ook een kunstenaar zijn.'

Het liefst zou hij alles zelf verzinnen. Maar hij heeft een tekst van anderen nodig. Stinkjaloers kan hij zijn op een schrijver. 'Zowel op de wulpsheid van Pasolini als de kaalslag van Pinter. Het vinden van de juiste woorden en daarmee een scala aan gedachten oproepen, daar kan ik zo van houden. Ze ontleden de taal en laten er zo ook de rijkdom van zien. Dat kan me mateloos ontroeren. Dan wil ik die woorden letterlijk in mijn mond nemen.'

Zijn vriend Marcel Musters is ook acteur. 'Maar in een heel ander circuit. Hij doet veel bij De Mug met de Gouden Tand. Toen we elkaar ontmoetten, vierenhalf jaar geleden, had hij nog nooit iets van Hollandia gezien. We hadden in het begin veel kritiek op elkaar, nu gaan we daar beter mee om. Marcel is totaal anders, hij durft veel meer risico's te nemen. Hij durft echt de lelijkheid te laten zien. Heel knap vind ik dat, het stimuleert mij om dat ook meer te doen.'

Meer over