Zoals niemand voor mut geschreve heb

Een dichter die ook aan reclames meewerkt, is nu niet meer vreemd (zie Jules Deelder), maar de jonge dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992) behoorde met zijn kompaan Hans Sleutelaar in de jaren vijftig en zestig tot de eersten die deze combinatie aandurfden....

Een dichter die veeleer aansluiting zoekt bij moderne jazz en popmuziek dan bij oudere collega’s, die straatkreten in zijn teksten incorporeert, bij wie de voorkeurspelling de ‘fonetiese’ is, en die stadstaferelen ogenschijnlijk zonder manipulatie weergeeft, is de laatste twintig jaar geen zeldzaamheid (zie Herman Brood, Martin Bril en Bart Chabot), maar alle genoemden zijn schatplichtig aan Cor Vaandrager.

Buiten dat klasje maakte hij vreemd genoeg geen school. Zijn prozadebuut Leve Joop Massaker (1960) blijft een zuiver jeugdverhaal, verschillende gedichten zijn bij vlagen geestig, scherp en onverslijtbaar, en de democratische collage-boeken De reus van Rotterdam (1971) en De Hef (1975) verdienen meer dan die ene herdruk die ze pas drie jaar geleden ten deel viel. Dit is samplen en zappen avant la lettre, ‘zoals niemand voor mut geschreve heb. . . niemand name tooit zal schrijve. . . zeg nou zelluf’.

Dat zeg ik. Maar er zit ook een risico aan het principe dat de tijdschriften Gard Sivik en De Nieuwe Stijl in de jaren zestig huldigden: als alles en iedereen mee mag doen – popmuziekregels, toiletopschriften, gesprekjes tussen achterburen in de metro, binnengedachten, politierapporten, reclames, jeugdherinneringen – en de auteur wordt geacht die veelheid in koele, strakke, directe regels onder te brengen, dan dient hij sterk in zijn schoenen te staan. Het gaat hier om nauwkeurig en energiek schrijven zonder vangnet of rugdekking. Er moet gescoord worden op papier, zonder romantische inleidingen. Zonder verwijzingen naar zogenaamde voorgangers. Die zijn er namelijk niet. Het is nu of nooit.

Een tijdje leek het erop dat Vaandrager zelf zo’n voorganger werd van een nieuwe stroming in de Nederlandse letteren. In de eerste helft van Vaan, de degelijke biografie die Algemeen Dagblad-redacteur Menno Schenke aan zijn voormalige plaatsgenoot wijdt, is zijn ster al spoedig rijzende. Het enig kind van een postbode uit Rotterdam-Zuid ontpopte zich als taalvirtuoos op het gymnasium, en ontdekte de wereld door in de jaren vijftig cafés te frequenteren. Of door naar Parijs te gaan, meeliftend met de vleeswagen die je voor een tientje van het abattoir in Crooswijk naar de Hallen bracht. Of naar een voorleesavond in Amsterdam, waar hij kwam door gezeten boven op de postzakken met Vaandrager senior in de bestelwagen mee te rijden. Of naar Lucebert in Bergen, waarheen de door Cor tijdelijk bewonderde experimentele broeder Sybren Polet hem meenam, achter op diens scooter.

Er was een wereld te veroveren. Vaandrager leerde Armando en Hans Verhagen kennen, die zich in de jaren zestig ook aan onderkoelde ready-mades waagden; hij was een van de eersten die de kwaliteit van de verhalen van Jan Wolkers onderkenden (1961), en van de schelmenroman van een Enschedees schilderbeest, met wie hij regelmatig op het toentertijd spotgoedkope Ibiza doorzakte: Ik Jan Cremer (1964).

Tegelijk met de eerste roem komt de speed Vaandragers leven binnen. Dat is al in 1960, een paar jaar nadat hij dankzij Simon Vinkenoog in Parijs voor het eerst aan de wiet heeft geroken. Tel daarbij de drank die in grote hoeveelheden werd ingenomen, en zijn kennelijke onvermogen om zelfs in nuchtere toestand op eigen benen te staan (heel lang bleef hij bij zijn ouders inwonen, en toen hij mot kreeg met zijn boezemvriend Sleutelaar was hij van god los), en het wordt al duidelijker dat speedfreak Vaandrager weliswaar geknipt was voor het compromisloze, ‘totale’ schrijven ‘zoals niemand voor mut geschreve heb’, maar ook dat het evenwicht in zijn geval uiterst wankel is geweest.

En dat het reeds in de loop van de jaren zestig zoekraakt. Wordt hij achterdochtig, is jaloers op zijn vrienden die in de kunst en journalistiek wél landelijke bekendheid oogsten, laat geregeld zijn hippe leren broek zakken in cafés, en begint thuis met het aanleggen van krankzinnige verzamelingen: sigarettenmerken, fietswielen, kastdeuren, vlaggenstokken, en van/voor-affiches met felle kleuren en doorgestreepte getallen (‘van 10 voor 5 gulden’).

Reed hij door Zeeland met Hans Verhagen, dan wees de Vlissingse dichter hem wel op de zee. En Cor dan: ‘Café, café? Waar?’ Zijn armoede blijft, zijn huis wordt een steeds grotere chaos, als hij bij een winkel een bord met ‘Pak mee!’ ziet staan dóet hij dat ook, hij wordt agressief en suïcidaal, verblijft in inrichtingen, en beweegt zich uiteindelijk met een winkelwagentje en een paar plastic tassen als een zombie met een zonneklep door de Rotterdamse binnenstad, totdat hij in 1992 roemloos het loodje legt.

Een schrijnende levensloop. Opmerkelijk, hoeveel trouw en coulantie de loner Vaandrager van anderen heeft ondervonden, totdat zij het niet langer konden volhouden: van zijn uitgever Geert Lubberhuizen, van Sleutelaar, en van zijn geliefden Jenny, Marian, Anne-Marie en Hetty (die van 1971 tot 1976 met hem getrouwd was, en met wie hij de dochter Isis kreeg). Hun verhalen tonen ‘Vaan’ behalve als reddeloze junk ook als een originele uitmiddelpuntige geest: zit hij in 1971 na een bizar incident in de cel, komt Hetty hem tijdens het bezoekuur zijn Olivetti-schrijfmachine brengen, onthaalt hij haar prompt op een woordspeling: ‘Olivetti – O Lieve Hetty.’

Aan zijn biografie is een zekere consequentie niet te ontzeggen. Als er íemand energiek en zonder vangnet of rugdekking leefde en schreef, dan was hij het. Alleen kwam de nauwkeurigheid nog weleens in het geding: in de jaren voor zijn dood verschenen er onverwacht nog twee dichtbundels met recent werk, Metalon (1987) en Sampleton (1990).

Weinig lezers konden uit de voeten met de elliptische geheimtaal van de in zichzelf mompelende Vaandrager, al zaten er intrigerende, ‘dinamiese’ flarden tussen die nog steeds wachten op ontraadseling, en daarnaast regels die zonder meer zeggingskracht bezitten: ‘God sgiep/ land/ water/ en lug,/ maar zijn meest kreatieve wens/ was tog/ Rotterdamse mens.’

Al leek hij mijlenver afgedreven, de afstand tussen deze regels uit 1987 en die van zijn beroemde gedicht ‘De kroketten in het restaurant/ zijn aan de kleine kant’ is gering. Dat memorabele distichon stamt uit 1963, maakt deel uit van de cyclus ‘Made in Madurodam’ en is daar daadwerkelijk genoteerd, zo tekent Schenke op uit de mond van zijn toenmalige vriendin: ‘We bestellen kroketten. Als die arriveren, zegt Cor: Verdomme, die zijn klein! Even later schrijft hij ter plekke twee dichtregels op.’

Geen wereldschokkende inhoud. Vaandrager verwoordde die echter zodanig, dat er geen speld tussen te krijgen is. De regels hebben in 42 jaar al heel wat andere verzen overleefd, met name van collega’s die het moment niet grepen en meteen maar voor de eeuwigheid aan het orakelen sloegen.

De verschijning in 2005 van een mooi dik boek over een nagenoeg vergeten, kleurrijke kwant uit de marge, onderschrijft Vaans gelijk.

Al was de man geenszins te benijden, ‘Ut is niet mis’, zoals hij zelf kon zeggen.

‘Hij heef wel wat.’

Menno Schenke: Vaan – het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager. De Bezige Bij; 495 pagina's; ¿ 35,-. ISBN 90 234 1881 6.

Meer over