'Zo'n allo van Allah'

Zelf heeft Nicolaas Matsier er ooit mee te maken gehad, hij wijdde er een memorabele column aan, te vinden in Dicht bij huis (1996): de existentiële vertwijfeling die hem beving op die dag dat hij zijn verloren paspoort weer op het postkantoor kon ophalen, en de loketbeambte hem routineus de...

In het beschrijven van zo'n kloof tussen twee werelden, grofweg gezegddie tussen de taalgevoelige mijmeraar enerzijds en de praktische'officiële' instantie anderzijds, is Matsier altijd sterk geweest. Hijheeft oog voor de waarde van de weerloosheid. In mens én ding:gevelstenen, drogenaald-etsen, stofdoekenmandjes en knopendoosjes kunnenop zijn zachtmoedige ondersteuning rekenen, evenals woorden die niet langerworden gebezigd omdat de voorwerpen waarnaar ze verwijzen niet meer ingebruik zijn. In zijn werk manifesteert Matsier zich als een lichtvoetige,zorgvuldig formulerende eenmansmonumentenzorg.

In Het achtenveertigste uur neemt hij niet het woord, al is hij evenminafwezig. Het boek is een variant van bovengenoemde column, een kafkaëskewereld die hij oproept, met de Sudanese asielzoeker Moesa Mohamad-Hasan(1972) als hoofdpersoon. De verpersoonlijking van de ultieme weerloosheid.Die meldt zich in november 2002 op Schiphol zonder deugdelijkidentiteitsbewijs, spreekt geen Engels, hangt in het Arabisch eenonduidelijk verhaal op over de reden voor zijn vlucht , komt in dezogeheten 'achtenveertiguursprocedure' terecht, wordt ondervraagd door demarechaussee en de Immigratie- en Naturalisatiedienst, mag later doortussenkomst van een zoveelste advocaat van het grenshospitium naar eenasielzoekerscentrum (omdat hij tot een categoriaal beschermde stam uitZuid-Kordofan zou behoren), maar vlucht ook daarvandaan met onbekendebestemming, zodat hij eind 2002 als spoorloos moet worden aangemerkt.Dossier gesloten, man weg, volgende patiënt.

Opnieuw is de afstand tussen twee werelden Matsiers onderwerp, maar nieteerder was de kloof zo groot. De vreemdeling is afhankelijk van tolken eneen stoet ambtenaren die zich, in razende vaart en niet bijstergeïnteresseerd, even met zijn zaak onledig houden - meer omwille van 'hetdossier' dan voor het individu in kwestie. Omdat de man niet onze taalspreekt (die houvast waaraan Matsier zich in zijn eigen botsingen konvastklampen) en de gekste vragen op zich krijgt afgevuurd , neemt hij geencontouren aan maar blijft hij een geval, een wezen dat geen poot aan onzegrond krijgt zolang ze er hier niet achter komen wie hij is.

Er kunnen rare dingen gebeuren met buitenlanders die op Schipholarriveren. We kennen de vervreemdende situaties uit tv-documentaires enkrantenreportages, en uit De bezoeking (1998) van Daphne Meijer en Deverstekeling (1999) van Maarten Asscher. Moeten aantonen wie je bent zonderdat te kunnen op de wijze die oer-Hollandse beambten verlangen vanachterhun computers en met de voorbedrukte formulieren voor hun neus, dat is geengrapje.

Toch staat Het achtenveertigste uur bol van gebbetjes. Die zullenschrijnend bedoeld zijn, maar werken niet als zodanig, omdat het deironicus Matsier aan talent voor cynisme en ware satire ontbreekt.

Zoveel personages als hij ook in estafette opvoert, ze zijn terug tebrengen tot slechts twee typen - het geinige en het meer onderlegde -,die beide onder de noemer 'nonchalant' vallen. Het eerste typetje druktzich als volgt uit: 'Dus of zo'n allo van Allah nou geboren is in een tentof in een kribbe of in een krottenwijk van karton en blik, dat maakt onsniet uit'; 'Jakkes zeg, wat een regen'; 'Want een second opinion, die duurtprecies zo lang als een sigaar.' Het tweede typetje vermeit zich, alsof ertijd te verliezen is, in curieuze uitweidingen waarin we de schrijverbeluisteren: 'Kennis van gruwelen beklijft maar een, twee dagen.

Het lijkt wel alsof de volledige aandacht waarmee zulke lotgevallengeabsorbeerd en gevolgd worden tegelijk hun opslag verhindert'; 'Het is eenuitermate vernuftige handtekening, midden in een geweldige dubbele arabeskedie de woorden namens deze', de eigenlijke naam, en hetsenior-medewerkerschap de allure verleent van een ruiterstandbeeld'; 'Alsde zes paragrafen van de beschikking de versregels van een gedicht zoudenzijn, dan was het rijmschema ababba.'

En Moesa, 'onze vriend de Soedanees', intussen maar wachten. Zijndossier groeit gedurig aan, maar die papierberg zelf wordt allengs eenonneembare col. Door een beetje goochelen met Google weet zijn laatsteadvocaat een onmiddellijke uitzetting te verijdelen, maar een maand lateris de vreemdeling foetsie.

Het karikaturale cabaret van Het achtenveertigste uur verdraagt zichslecht met de strekking, de boodschap, misschien zelfs de verontwaardigingdie Matsier wil overdragen. Had hij de desbetreffende documenten secgearrangeerd, zonder zijn toevlucht te nemen tot die intens flauweinnerlijke monologen en onhandig ingelaste overpeinzingen, dan zou zijnpoging kans van slagen hebben gehad.

Maar van een mislukte roman hoeft geen mens, en ook de minister vanVreemdelingenzaken en Integratie niet, wakker te liggen.

Arjan Peters

Nicolaas Matsier: Het achtenveertigste uurDe Bezige Bij260 pagina's22,50ISBN 90 234 1694 5De Bezige Bij260 pagina's 22,50ISBN 90 234 16945

Meer over