Theater

Zo maakte Maria Kraakman van een overweldigende, ziedende woordenstroom een echte theaterervaring

Ze werd verliefd op de zwarte humor van de aan een rolstoel gekluisterde hoofdpersoon uit Cliënt E. Busken. Maar hoe maak je aangrijpend theater van een ziedende monoloog? Maria Kraakman over haar regieconcept.

Maria Kraakman maakt haar regiedebuut bij Internationaal Theater Amsterdam met de voorstelling Cliënt E. Busken.  
 Beeld Judith Jockel
Maria Kraakman maakt haar regiedebuut bij Internationaal Theater Amsterdam met de voorstelling Cliënt E. Busken.Beeld Judith Jockel

Of actrice Maria Kraakman haar collega Gijs Scholten van Aschat bij Internationaal Theater Amsterdam wilde regisseren? Over dat verzoek moest ze even nadenken. Ja, het boek dat Gijs dolgraag als solo op toneel wilde brengen, Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers, vond ze geweldig. En ze is natuurlijk ook gesteld op Gijs. ‘We kennen elkaar heel goed, alleen niet in die verhouding.’ Normaal spelen ze samen, zoals bijvoorbeeld in Het jaar van de kreeft (2016), in regie van Luk Perceval, waarin ze euforisch huppelend en springend gestalte gaven aan een passioneel liefdeskoppel, tot ze avond na avond volledig buiten adem waren. Zulk intens, fysiek spel vraagt overgave, vertrouwen en gelijkwaardigheid. Maar nu zou ze hem aanwijzingen moeten geven, kritiek zelfs, terwijl dit voor hem juist zo’n dierbaar project is. Wat als ze het niet eens zouden worden over haar regieconcept? ‘Dan kon ik het beter niet doen.’

Lakmoesproef was de bewerking van Brouwers’ Librisprijs-winnende, hermetische taalbouwwerk. Scholten van Aschat begon op eigen houtje met inkorten, en had de 257 pagina’s al teruggebracht tot 60. Voor een solo van zo’n 90 minuten moest daar nog de helft vanaf. Maria Kraakman: ‘Toen spraken we af, als ik nou ook schrapvoorstellen doe, dan kunnen we zien of we het eens zijn.’ Dat werkte. Ze delen ‘volledig’ de liefde voor Brouwers’ even ziedende als zinnelijke taal, en het verlangen om die in de voorstelling centraal te stellen. Desondanks waren ze het probleemloos eens over passages die het theater – helaas – niet zullen halen. Dat gaf vertrouwen voor deze samenwerking, aldus Kraakman. Door onverenigbare agenda’s kan Scholten van Aschat niet bij dit interview zijn.

Cliënt E. Busken gaat over een bejaarde man die vastgegespt in zijn rolstoel in rusthuis Madeleine alles en iedereen om hem heen virtuoos uitfoetert. Binnensmonds, want sinds zijn gedwongen opname veinst hij doofstomheid. De verzorgers, directeur, psychiater, fysiotherapeut en seniele medebewoners, ze moeten het allemaal ontgelden in een meedogenloze innerlijke monoloog. Daarbij stelt Busken er eer in een opponent zo creatief mogelijk uit te kafferen. De taal is wapen en schild, zijn laatste trots; klankkast van zijn ego. Als hij uit woede een keer zijn toevlucht neemt tot minder vindingrijke termen, laat Brouwers hem denken: ‘Geen bijster sterke tekst als weerwoord, terwijl ik toch een bezonken intellectueel en geestesaristocraat ben. Een geletterde met een welhaast religieus taalbesef en een woordenvariëteit als een bloementuin waarmee ik mijn gedachten adequaat en helder, tevens elegant, weet te formuleren, daar sta ik om bekend.’

Kraakman schaterlacht. ‘Dat is zó grappig. Dit is ook de favoriete passage van Gijs. Hij kan dat enorm smeuïg brengen, terwijl hij je dan zo ironisch van onder één wenkbrauw aankijkt – geweldig.’ Als Busken gaandeweg het boek aftakelt, laat Brouwers onbarmhartig ook zijn taalgevoel verkruimelen.

Hun eerste opgave was dus: wat laat je weg uit een tekst die zo knap is geconstrueerd? En de tweede vraag, die vooral Kraakman als de regisseur hoofdbrekens bezorgde: hoe maak je theater van die ononderbroken, overweldigende woordenstroom? Kraakman: ‘Die taal is een machine, zo intens, Brouwers walst over je heen. Ik moest het af en toe wegleggen. Hij stuurt je een dichtbegroeid labyrint in, en de lezer moet zich eruit zien te worstelen. En er is geen plot of anekdote die je een beetje helpt.’

Maar een theatervoorstelling is ook fysiek, ruimtelijk en visueel, en dat noopt natuurlijk tot meer dan enkel het laten klinken van die taal.

null Beeld Judith Jockel
Beeld Judith Jockel

Kraakman: ‘Als je alleen maar een man in een rolstoel op toneel hardop laat fulmineren, dan kun je net zo goed het luisterboek opzetten.’ (Dat toevallig is ingesproken door een derde ITA-collega: Hans Kesting). ‘Bij theater gelden ook andere wetten. Een boek kun je even wegleggen en later weer oppakken, in het theater kan dat niet, je moet het publiek er wel bij houden.’

Maar het antwoord op de tweede vraag, hielp ook bij het denken over de eerste, legt ze monter uit, op het kantoor van ITA aan de Marnixstraat in Amsterdam.

Ze was onder de indruk van de bewerking van Gijs, zegt ze. ‘Hij laat de geest van het boek intact, maar diept er specifieke diamanten uit op. Die rijgen we aaneen.’ Een beeldspraak die mooi rijmt met Brouwers, wanneer hij Busken laat denken: ‘Als parelkralen die van een snoer glijden beginnen woorden me een na een te ontvallen wegens vergetelijkheid.’

Dicht bij Brouwers’ taal blijven was niet alleen een esthetisch genoegen, maar had ook inhoudelijk noodzaak. Kraakman: ‘Met zijn woordkeus en zinsopbouw wil Busken demonstreren dat hij niet gek is.’ Daarom zag ze het ook als haar taak om bij Scholten van Aschat enorm te hameren op precisie. ‘Ik geef het je te doen, deze tekst leren. En Gijs doet het fenomenaal goed. Maar ik was echt een gestapo op de taal: die is zo veelzeggend en onthullend, dat je het niet ongevéér moet zeggen, maar exact zoals het geschreven staat.’

Dus niet: ‘Er ontstond een wolk van warme thee tussen mijn benen.’ Maar: ‘Er ontstond een warme wolk die als thee tussen mijn benen spoelde.’ ‘Op dat soort dingen heb ik oeverloos zitten drammen.’

Ondanks die ‘welhaast religieuze’ taalprecisie vonden de twee toch ruimte om de tekst in te korten, en tegelijk een theatrale vertaalslag te maken. ‘In het boek zitten veel herhalingen, steeds een beetje warriger, en net anders geformuleerd. Het brein van Busken draait rondjes, alsmaar wilder, omdat Brouwers alleen de taal heeft om te illustreren hoe verward zijn personage raakt. In die herhaling konden wij schrappen, omdat we zijn teloorgang op toneel op een andere manier laten zien.’

Bij Het jaar van de kreeft, naar de roman van Hugo Claus, leerde Kraakman van Luk Perceval hoe je zo’n schitterend, hermetisch boek artistiek bevredigend naar toneel kunt vertalen. Perceval liet zijn acteurs de erotische opwinding van de personages vormgeven door eindeloos sprongetjes te maken, die gretig begonnen en uitgeput eindigden – de zinnelijke poëzie van Claus vertaald naar bewegingskunst.

Kraakman: ‘Letterlijk spelen wat er staat of keurig de anekdote navertellen is hier artistiek niet interessant. Bij Brouwers is er trouwens ook helemaal geen anekdote, want er gebeurt feitelijk niks. Ik heb lang nagedacht over de vraag: hoe vertaal je die statische situatie naar een spelvorm? Zo ontdekte ik dat we in de performance een extra laag kunnen toevoegen.’

Bij de vraag om dat concreter te maken, aarzelt Kraakman. ‘Ik wil hier niet al mijn hele regieconcept weggeven.’ Maar goed, vooruit dan, al houdt ze het nog enigszins theoretisch: ‘De grote vraag is natuurlijk: ga je Gijs in een rolstoel op toneel zetten? Of speelt hij straks in de voorstelling de man die Busken zegt te zijn geweest, de wetenschapper, Nobelprijswinnaar, de ‘hooggeletterde geestesaristocraat?’ De rolstoel heeft in elk geval bij alle repetities op de speelvloer gestaan, glimlacht Kraakman mysterieus. ‘Gijs vroeg steeds: wanneer ga ik er nou in?’

Maria Kraakman: ‘De taal in het boek is een machine, zo intens, Brouwers walst over je heen.’	 Beeld Judith Jockel
Maria Kraakman: ‘De taal in het boek is een machine, zo intens, Brouwers walst over je heen.’Beeld Judith Jockel

Wat vaststaat: ‘Brouwers speelt in het boek met de bluf en fantasie van zijn personage, en met diens worsteling met het ego. Busken zit in een deerniswekkende situatie, maar het is ook een lefgozer die zich uit alle macht vastklampt aan het leven en aan zijn prestaties, of die nu echt zijn of verzonnen, dat vind ik erg geestig.’

Dat is ook wat haar enorm aansprak aan dit boek: de lichtheid die kan worden gevonden in het tragische. De vitaliteit die uit zijn zinnen spreekt, het denken, fantaseren en fulmineren dat ongebreideld doorgaat, ondanks zijn weinig benijdenswaardige gesteldheid.

‘Het wemelt van de wrang-grappige zinnetjes.’ Ze bladert hoofdschuddend haar script door en leest voor: ‘Oom Jan van tante Marie wilde iedere dag spruitjes. Dit heeft te maken met haar glazen oog. Ik was erbij dat ze dat oog uit haar gezicht haalde en er zo’n rauwe spruit voor in de plaats drukte. Iedereen lachen. Ik niet.’

‘Zulke malle, terloopse opmerkingen vertellen mij zó veel. Bijvoorbeeld dat deze man ondanks zijn ellendige toestand nog humor heeft: een soort gekke, zwarte humor. Dat is in zo’n situatie wel je belangrijkste bezit, denk ik.’

Stralend: ‘Gijs heeft de eerste bladzijde van zijn bewerking voorgelezen aan Jeroen Brouwers, bij hem thuis. Jeroen moest heel erg lachen. Hij zei: ‘Ik wist niet dat het zo grappig was.’

Dat het toch ook een tamelijk inktzwart en uitzichtloos boek is, daar kijkt Kraakman van op. ‘Ik voel er een enorme kracht in. Kwade kracht, ja, maar toch. Busken schept een sardonisch genoegen in dat wild om zich heen foeteren en hij geniet van de virtuositeit waarmee hij dat doet. Het is een vrolijk soort chagrijn.’

Maar het allermooiste van dit boek is volgens haar dat het de kracht van het denken viert. ‘Busken heeft een gigantisch krachtenveld van gedachten om zich heen, waar zelfs de dood niet bij kan. Tijdens het lezen kon ik me opeens levendig voorstellen hoe dat voor al die oude mensjes in zo’n bejaardentehuis geldt. Hoe die ogenschijnlijk zitten te sukkelen in hun stoel, terwijl ondertussen hun gedachten maar doorgaan, doordraven, doordraaien.

‘Daar hoef je niet eens een geniale geest of kunstenaar voor te zijn. Iedereen zit daar gewoon de hele dag te denken; het speelt zich in al die mensen af. Vitaliteit, denkkracht en humor, die zijn op de treurigste plekken te vinden. Dat vind ik een troostrijk idee.’

Client E. Busken door Internationaal Theater Amsterdam, 13 t/m 29/9. Nieuwe speelreeks in februari 2022. Info: ita.nl

Maria Kraakman

Maria Kraakman (Soest, 1975) behoort tot de beste actrices van haar generatie. Ze studeerde aan de toneelschool in Arnhem en speelde onder meer bij Toneelgroep Oostpool en De Warme Winkel voordat ze in 2015 toetrad tot het ensemble van Internationaal Theater Amsterdam. Ze won twee keer een Gouden Kalf, voor Guernsey (2005) en In Blue (2017), en ontving in 2010 de belangrijke toneelprijs Theo d’Or, voor de titelrol in Orlando. Ze regisseerde eerder twee producties van toneelschoolstudenten.

Meer over