Zijden jurken in doodskist

Haagse hofmode – het is een titel waarbij je meteen aan een stijf soort deftigheid denkt. De strenge, functionele outfits van onze koningin, de hoofddeksels van prinses Laurentien, de ongetwijfeld zeer strakke kledingvoorschriften voor iedereen die aan het hof werkt....

Milou van Rossum

Maar Haagse hofmode (Den Haag geldt al eeuwen als het centrum van het hofleven) is verre van stijf. Het is een mooie, feestelijke, sprankelende tentoonstelling. Kleren van de koninklijke familie zijn er niet te zien. Een bewuste keuze, zegt conservator Madelief Hohé: die zouden te veel de aandacht weg trekken van de kleren van de hofdames, de kamerheren en andere leden van Le Monde, die zich allemaal vaak modieuzer kleedden dan de familie zelf.

De mantelpakken en jurken van een van de hofdames van koningin Beatrix uit de jaren tachtig lijken vooral versimpelde versies van de kleren die de vorstin zelf in die tijd droeg, en voor mannen hield de uitbundigheid op met de komst van het klassieke mannenpak in de negentiende eeuw. Maar sommige van de jurken uit de achttiende, negentiende en begin twintigste eeuw zijn van internationale allure. In die tijd was het in Nederlandse hofkringen heel gebruikelijk om jurken te kopen bij Parijse couturiers. De ruim 150 stukken zijn niet chronologisch opgesteld, maar ingedeeld per gelegenheid. Er is een rouwzaal, een balzaal, een theater, een jachtzaal, een inhuldigingszaal, een wandelzaal. Daarin staan mannen- en vrouwenkleren uit verschillende perioden bij elkaar, zodat je in één keer een beeld krijgt van de kledingmores en de verschuivingen daarin. De mooiste illustratie van de worsteling tussen mode en traditie is een fluwelen jurk uit de jaren twintig. Hij is modieus kort, maar heeft toch een sleep, omdat dat bij ceremoniële gelegenheden toen nog steeds gebruikelijk was.

De tentoonstelling is vormgegeven door stilist Maarten Spruyt, die dat monumentaal, maar speels heeft aangepakt. Achtergrondfoto’s en decorstukken hebben expres de verkeerde schaal, poppen dragen pruiken van geverfd schuimrubber. In de ruimte die het verblijf van de hofdames verbeeldt, en waarin de ochtend- en avondjassen jassen staan opgesteld, klinkt damesgegiechel en het gekletter van kopjes.

Even simpel als ingenieus is de oplossing die hij bedacht voor de feestjurken uit het begin van de twintigste eeuw, die zijn aangetast door het tinzuur waarmee zijde indertijd werd verzwaard. Die liggen in ‘doodskisten’.

Het enige zwakke punt van de tentoonstelling zijn de pakken van Pim Fortuyn. Het zijn de enige kledingstukken van zeer recente datum, en tevens de enige van een politicus, en hun aanwezigheid doet daarom geforceerd aan. Durfde het museum zo’n grote expositie toch niet aan zonder een bekende naam als publiekstrekker?

Meer over