Zesde deel Biografisch Woordenboek verschijnt

Niet alleen staatslieden en wetenschappers, ook sporthelden en volkszangers tellen tegenwoordig mee in het Biografisch Woordenboek van Nederland, een monumentale reeks die na dertig jaar is voltooid.

’t Is goed te zien aan de verschuivingen in de voorkeuren die de wisselende redacties van het BWN erop nahielden, of misschien moet je zeggen: in de gedweeheid waarmee zij het hoofd bogen voor nieuwe trends, nieuwe visies op wat verdienstelijk is of onderscheidend.

En aan de grafische vormgeving, als steevast een spiegel van de heersende smaak.

Op de stofomslagen van de eerste vier delen, die verschenen tussen 1979 en 1994, prijkt in diapositief soeverein het rijkswapen; op het laatste deel, dat juist voor de jaarwisseling werd gepresenteerd, staan de portretten van Jelle Zijlstra (de politicus en bankpresident), Marinus Jacobus Hendricus Michels (alias Rinus, ook wel ‘De generaal’ en ‘De sfinx’, voetballer en voetbaltrainer), Maria Beij (alias Mary Servaes-Bey, beter bekend onder de artiestennaam ‘Zangeres zonder Naam’) en Wilhelmus Simon Petrus Fortuijn (socioloog en politicus, beter bekend onder de artiestennaam ‘Pim Fortuyn’).

Tegen de achtergrond van een foto van het uitspansel, dat verhoudingsgewijs eeuwig is en onvergankelijk, worden de memorabele stervelingen geflankeerd door kleinere portretten van Boudewijn Büch, Anne Frank, Toon én W.F. Hermans, en ten slotte Annie M.G. Schmidt. Van twee leeuwen die de Nederlandsche Leeuw overeind houden, naar twee fotorolletjes Bekende Nederlanders, van Je Maintiendrai naar de inschikkelijke ondertitel Levensverhalen van 200 bekende en minder bekende Nederlanders.

And thereby hangs a tale.

Maar eerst de achtergrond van de onderneming. ‘Aan een biografisch woordenboek als wetenschappelijk hulpmiddel bestaat in vele landen behoefte’, verklaarde de redactie in het woord vooraf van het eerste deel. Omdat het laatste biografische woordenboek, dat onder redactie stond van P.C. Molhuysen en P.J. Blok, net voor de Tweede Wereldoorlog was afgesloten, kreeg de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis in 1971 de ministeriële opdracht een nieuwe versie te maken, voortbouwend op de oudere. Molhuysen en Blok hadden tot uitgangspunt genomen geen biografieën op te nemen van personen die na 1910 gestorven waren, zodat er alleen al wat dat betreft een grote achterstand viel in te halen. Soms waren vroegere sterfgevallen bij eerdere gelegenheid veronachtzaamd: curieus genoeg krijgt bijvoorbeeld Vincent van Gogh pas nu zijn lemma.

De redactie van het nieuwe project wilde bovendien gehoorzamen aan de nieuwe stijl van biograferen (‘de plechtige in memoriam-toon overtuigt de lezer niet meer’) en het net een stuk ruimer uitwerpen, al vond zij het aanvankelijk makkelijker auteurs te vinden voor lemma’s over ‘geschiedbeoefenaars dan over bijvoorbeeld sporthelden of cabaretiers’.

Dat laatste is onderweg onmiskenbaar bijgetrokken. In het zesde deel komen de sporthelden en de beoefenaren van de kleinkunst redelijk aan hun trekken, terwijl ten opzichte van het eerste deel omroepvoorzitters en ander volk uit het maatschappelijk middenveld het loodje hebben gelegd. Op zichzelf schuilt in dergelijke selectieverschillen van toen en nu al een interessante indicatie van sociaal-culturele veranderingen. Omroepvoorzitter, het was een aanzienlijke verdienste, in het Nederland van drie televisienetten – en het is niets meer, in een rijkelijk bekabeld en beschoteld land. Tegenwoordig kan je beter voetbaltrainer worden.

Naast de keuze is ook de stijl veranderd, zij het niet altijd ten goede. In het eerste deel klaagde de redactie nog over het ontbreken van ‘een stevige biografische traditie’ in Nederland, maar gaandeweg zag je hoe die groeide – bijvoorbeeld aan de lemma’s die werden geschreven door auteurs die hun onderwerp al eens in een zelfstandige biografie hadden beschreven (Jolande Withuis over verzetsheld Pim Boellaard in dit laatste deel) of aan de lemma’s die werden ingehaald doordat er intussen een biografie van de geportretteerde verscheen (de filosoof Bolland werd in deel 2 nog door collega Klever afgelegd; sindsdien verscheen de biografie van Otterspeer die Klevers werk verre voorbij streeft).

Je ziet het bovendien aan de opkomst van een nuttige derde verwijzingscategorie in de aftiteling. Daar stonden altijd al de ‘P’ van ‘publicaties’ en de ‘L’ van secundaire literatuur, maar de ‘A’, waaronder de bewaarplaats van persoonlijke archieven wordt vermeld, won aan belang. Het is een hulpmiddel en een aanmoediging, bedoeld voor het nadere biografische onderzoek waar het hele project om begonnen was. Daarin sluit het aan bij een in die vier decennia drastisch gewijzigde biografische cultuur.

Tegelijkertijd sloop er een stilistische eigenaardigheid de kolommen binnen, die in dit laatste deel op den duur onverdraaglijk melig wordt: van iedereen wordt tegenwoordig vermeld hoeveel broers en zusters hij of zij had en welke plaats in het gezin. Het moet een nieuw inzicht uit de sociale pedagogiek zijn, dat hierachter schuil gaat, of een mesjogge idee van gelijke kansen. De verleiding is groot om er een tabel van aan te leggen, om na te gaan welke plaats in de gezinsordening de meeste perspectieven op onsterfelijkheid biedt.

Maar daar staat veel tegenover, vooral in het soms fraaie evenwicht tussen beschrijving en waardering. Die is mettertijd onmiskenbaar volwassener geworden, geraffineerder ook. In dat verband dient de biografie die de historicus Piet de Rooij, tot verleden jaar bovendien lid van de redactiecommissie, van Pim Fortuyn schreef als ongeëvenaard stilistisch hoogtepunt van dit deel te worden genoemd. ’t Is een gedegen stuk, dat juist door zijn historische nauwgezetheid tot onbedaarlijk lachen aanzet (zo vermeldt De Rooij de vermoedelijke datum waarop Fortuyn zijn hoofd kaal begon te scheren, de namen van zijn butler en van zijn ‘twee Engelse hofhonden’ alsmede hun kynologische denominatie, ‘Cavalier King Charles Spaniels’). Daar wordt de stijl, binnen de grenzen van het historiografische naslagwerk, uitdrukking van de appreciatie.

Dat is een wereld verwijderd van het eerste systematische Nederlandse biografische woordenboek, dat van A.J. van der Aa, de man die zichzelf op de titelpagina van zijn fenomenale boekenreeks nog slechts beleefd aanbeval als ‘Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden.’ Het Biographisch Woordenboek der Nederlanden bevattende Levensbeschrijvingen van zoodanige personen, die zich op eenigerlei wijze in ons vaderland hebben vermaard gemaakt begon in 1852 te verschijnen, bij J.J. van Brederode in Haarlem en eindigde in 1878 met een eenentwintigste deel.

Als alle biografen waren ook Van der Aa en zijn medewerkers kinderen van hun tijd. De uitzonderlijke prestaties van de individuen die zij wensten te gedenken betroffen werken van de geest en militaire of bestuurlijke verdiensten voor het vaderland. Voor hen was de beschikbaarheid van publicaties van iemands hand voldoende om hem op te nemen in hun woordenboek, ook al tastten zij regelmatig in het duister over de aard of de inhoud van die publicaties.

‘Van hem ziet het licht’, staat er dan onderaan zo’n lemma, ‘van hem hebben wij verder niets kunnen opsporen’, in andere gevallen, of zelfs ‘hij moet een beoefenaar der Nederduitsche dichtkunst zijn geweest, doch wij hebben geen zijner pennevruchten kunnen opsporen’. ‘Daar ons niets van haar onder de oogen is gekomen, kunnen wij over haare bekwaamheden niet oordelen’, staat er onder een van de sporadische biografietjes van vrouwelijke auteurs, terwijl de aanmoediging tot nader onderzoek geregeld terugkeert: ‘Wij bevelen dus het nader onderzoek hiernaar hen aan, die door het raadplegen van nog niet gebruikte bescheiden, meerder licht in deze zaak kunnen geven.’

Het is de charme van de naïveteit, gemarineerd in de fierheid van een nationalistisch elan. Het exemplaar dat ik gebruik geeft bovendien prachtig aan dat het werk geen einde kent: een eerdere, negentiende-eeuwse eigenaar, heeft het doorschoten laten inbinden, dat wil zeggen, met blanco vellen tussen de gedrukte pagina’s. Daarop heeft hij, vermoedelijk zelf, al een begin gemaakt met het bijwerken en verbeteren: hij schreef er hier en daar biografieën op van memorabele figuren die Van der Aa over het hoofd had gezien of die pas na afsluiting van zijn werk de geest hadden gegeven.

Nationalisme als leidraad maakte anderhalve eeuw later plaats voor democratische gezindheid, voor een vlottende visie op wat verdienstelijk en memorabel is, voor een zekere ruimhartigheid jegens wat nog altijd ‘lagere cultuur’ wordt genoemd. Of iemand nu echt een Nederlander was of in Nederland werkzaam is geweest, interesseert de redactie van het BWN minder dan diens verbondenheid met Nederland: de mediaevist Otto Oppermann was een Duitser, maar doceerde in Nederland, de balletleidster Sonia Gaskell kwam uit Litouwen en stierf in Frankrijk, maar was van doorslaggevende invloed op de Nederlandse balletcultuur, terwijl de chemicus Petrus Debije algauw naar het buitenland vertrok en uiteindelijk als Amerikaans staatsburger zou sterven.

Die naam noemen is tippen aan een opvallende verdienste van het BWN, namelijk de royale aandacht die daarin aan de beoefenaren van de exacte wetenschappen en techniek wordt geschonken. In het jongste deel komen onder meer de sterrenkundige H.C. van de Hulst en de natuurkundige George Uhlenbeck aan bod, maar ik maak mij sterk dat er uit alle zes delen samen een aardige Dictionary of Dutch Scientific Biography samen te stellen valt. In vergelijking met Van der Aa hebben zij de plaats ingenomen van de theologen – en ook daarin huist een thema van cultuurhistorische verandering.

In het Engels bestaat er een dergelijk volumineus Dictionary of Scientific Biography, zoals er in het Nederlands, in de jaren dat er aan dit BWN werd gewerkt, gespecialiseerde naslagwerken verschenen met biografieën van protestantse godgeleerden en, als vaste rubriek in het Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis, opvallende figuren uit de geschiedenis van socialisme en arbeidersbeweging. Die omvatten elk op hun terrein meer biografieën dan het BWN aankon.

Interessant is, naast de opmars van cabaretiers en kleinkunstenaars (naast Toon Hermans en de Zangeres Zonder Naam zijn dat onder meer Dimitri Frenkel Frank, Eric Herfst en Jules de Corte), de royale aandacht die ondernemers krijgen. Sydney van den Bergh en Albert Heijn krijgen nu evenzeer hun biografie als W.F. Hermans en Theun de Vries. Hetzelfde geldt voor sportlieden: in deel één zijn die nog maar met moeite te vinden, in deel zes zijn ze opvallend present. Ooit gaat iemand duiden wat dat over de stemming in het Nederland van het marktdenken zegt.

Met dit zesde deel wordt de boekuitgave van het BWN gestaakt; wie onlangs stierf of eerdaags ten grave wordt gedragen, komt in geval van redactionele uitverkiezing op de website. Karel Appel, Wim Duisenberg, Freddy Heineken, Gerard Reve en Kees Fens, alsmede enkele leden van de koninklijke familie hebben de deadline van de gedrukte versie niet gehaald en zullen de eeuwigheid dus in de virtuele ruimte moeten doorbrengen.

Het biografisch ambacht geëmancipeerd, de aandacht verbreed – en dan de majestueuze begraafplaats gesloten. Het heeft iets sneus.

Meer over