Zes bergen met eeuwige sneeuw

Dante, Petrarca, Boccaccio, Ariosto, Machiavelli, Tasso. Die zes groten bezorgden alle andere Italiaanse schrijvers en dichters ademnood. Maar wij kunnen jaloers zijn op een literatuur zo verheven en volks, zo grootsprakig en gedisciplineerd, zo gestileerd en onbesuisd....

OOK HET toeval is zinvol. In de in 1996 verschenen The Cambridge History of Italian Literature begint het hoofdstuk over Dante op pagina 39. In de Geschiedenis van de klassieke Italiaanse literatuur van Frans van Dooren begint het hoofdstuk over Dante ook op bladzijde 39. De literatuur is maar net op gang gekomen of het absolute hoogtepunt is al bereikt: de Divina Commedia.

Franciscus van Assisi, met wiens Zonnelied men de Italiaanse letterkunde laat beginnen, stierf in 1226. Dante werd in 1265 geboren en hij stierf in 1321. Er is geen literatuur in het Westen aan te wijzen waarvan de taal zo snel de poëzie is ingegroeid. Het Latijn heeft er heel wat langer over gedaan. Als Dante sterft, is Petrarca al 17 - zes jaar later zal hij Laura ontmoeten. De misschien wel invloedrijkste poëzie van de Italiaanse en de westerse letterkunde ontstaat.

Beiden, Dante en Petrarca, waren tweetalig: ze schrijven in het Latijn en in de volkstaal. De macht van het Latijn is er de oorzaak van dat literatuur in het Italiaans betrekkelijk laat begon. De heroverde macht van het Latijn is er de oorzaak van dat de literatuur in het Italiaans in de tweede helft van de vijftiende eeuw uiterst zwak is.

Twee der grootsten, vrijwel direct aan het begin en de grootst geachte literatuur, de Latijnse, altijd als norm in je nabijheid - een letterkunde kan zich een gelukkigere start denken, een vrijheid tot ontplooiing namelijk, zonder de bijna ondraaglijke last van een gezagscultuur.

In de geschiedenis van de Italiaanse beeldende kunst en architectuur die Vasari schreef, is er wel van een ontwikkeling sprake; de weg door een paar eeuwen leidt naar de absolute top: Michelangelo. Maar die bleef daarna onbereikbaar, zoals voor de dichters Dante's werk een louteringsberg bleef. En het petrarkisme bewijst hoe imitatie ten slotte de enige mogelijkheid tot creatie is.

De klassieke Italiaanse letterkunde - van Franciscus tot aan het begin van de achttiende eeuw - wordt beheerst door zes heel groten: Dante, Petrarca, Boccaccio, Ariosto, Machiavelli en Tasso. Ze moeten een sta-in-de-weg zijn geweest en gebleven, ook in de latere eeuwen. Uit de Cambridge History herinner ik mij de afsluitende regels van de paragraaf 'Van Ariosto tot Tasso': 'De massa middelmatigheid tussen Ariosto en Tasso leidt tot een melancholisch schouwspel. Epiek is de meest meedogenloze literaire vorm, en het aantal dichtersnamen dat een rusteloos haastige Tijd in de rivier van vergetelheid werpt, is, zoals Ariosto goed wist, aanzienlijk. Grootheid te hebben gemist, door welke fractie van misrekening ook, betekent onvoorwaardelijk een mislukking. We kennen de harde waarheid in onze eigen traditie: geen Milton zijn betekent Blackmore of Cowley zijn.'

Het lijkt er soms op dat dat drama van bijna gedwongen missen en mislukken in de Italiaanse letterkunde groter is dan in welke literatuur ook. De radicaliteit van de voorman van de futuristen, de Italiaan Marinetti, met alle tradities breken, desnoods met geweld, alle oude kunst opruimen, is te begrijpen: de altijd en overal aanwezige grootheid van het verleden, veroorzaakt ademnood.

Dante was ook in een heel ander opzicht voorbeeldig: hij was een balling, van 1301 tot zijn dood. Het aantal dichters en schrijvers uit de Italiaanse literatuur dat wordt verbannen, is uitzonderlijk groot. Politieke bemoeienissen waren soms de oorzaak, maar het in ongenade vallen bij een heer en mecenas was het vaker. Er is veel gezworven, van hof naar hof naar haard. Ik vermoed ook dat het aantal dwarsliggers, boeven, vermoorden zelfs, onder de literatoren in de Italiaanse letteren nooit meer ergens zal worden overtroffen.

Maar ook het aantal veelzijdigen niet. Leon Battista Alberti (1402-1472) is misschien de grootste: hij schreef vloeiend Latijn en Italiaans, schreef een komedie, ethische verhandelingen, biografieën, fabels, liefdespoëzie, herdersdichten, een overzicht van de architectuur in tien delen, verhandelingen over schilderkunst, een handboek voor de wiskunde en een handleiding tot decodering van diplomatieke correspondentie. En daarbij was hij ook nog een zware melancholicus. Maar nogal wat auteurs deden niet voor hem onder. De overvloed aan talent, zeker in de vijftiende en zestiende eeuw, is nauwelijks voorstelbaar.

Rond de zes groten groepeert Van Dooren zeshonderd schrijvers, dichters, toneelschrijvers. Vaak krijgen ze afzonderlijk aandacht, vaak ook zijn ze opgenomen in de beschrijving van een stroming of richting, die meestal de nasleep van een grote figuur is. Hun aantal is ook hierdoor groot: Van Dooren geeft veel ruimte aan auteurs die al of niet uitsluitend in het Latijn schreven. De humanistische literatuur krijgt zo een belangrijke plaats in het geheel.

Van de honderden redt een aantal het alleen door de biografische gegevens. Elke Italiaanse literatuurgeschiedenis is ook het bijzonderste biografisch woordenboek dat er is. Gelukkig is Van Dooren met al of niet beknopte levensbeschrijvingen allerminst zuinig. Geschiedenis van de klassieke Italiaanse literatuur is een degelijk boek, traditioneel ook, het heeft duidelijk schoolse trekken, waarmee ik ook iets van het onpersoonlijke karakter ervan wil aangeven. De grondslag ervan zijn de vele vertalingen uit de Italiaanse letterkunde door Van Dooren gemaakt, de inleidingen daarbij, zijn vele losse essays en artikelen.

En wat de poëzie betreft: de geschiedenis volgt heel precies Van Doorens schitterende bloemlezing Gepolijst albast - Acht eeuwen Italiaanse poëzie. De opzet van het boek is chronologisch: de tijdperken zijn de eeuwen; de geschiedenis gaat van Duocento naar Seicento, van de dertiende tot en met de zeventiende eeuw dus. Elk groot deel opent met een gedicht, fragment van een dichtwerk of (één keer) een prozastuk. Verdere citaten ontbreken. En dat is een gemis.

Uit de overvloed van zijn vertalingen had Van Dooren veel van wat hij beweert, duidelijk kunnen maken. (De Cambridge History citeert veelvuldig ter illustratie teksten in het Italiaans met een Engelse vertaling, een prozavertaling bij de gedichten, en dat werkt verhelderend voor het betoog.) Ook verwijzingen ontbreken, helaas. Eén keer wordt een hedendaagse criticus geciteerd. In de Italiaanse literatuur moeten de prachtigste karakteristieken bestaan van werken eruit. Ze hadden het wat droge en conventionele proza van Van Dooren - ik citeerde het Engelse fragmentje niet voor niets - wat kunnen begeesteren.

Maar ook andere verwijzingen zijn er niet. De Italiaanse renaissance- en barokliteratuur heeft de hele Europese literatuur beïnvloed, ook de Nederlandse. Verwijzingen naar de verwerking van die invloed, met name in onze literatuur, zou veel hebben kunnen verhelderen. De geschiedenis blijft nu erg insulair.

De literatuurgeschiedschrijver is historicus en criticus tegelijk. Hij beschrijft het literaire werk uit het verleden vanuit twee gezichtspunten: het historische en het huidige. Als historicus is Van Dooren geslaagd. Maar de criticus lijkt zich van de historicus niet los te kunnen maken. Uiteraard oordeelt hij vanuit het nu, maar dat doet hij zeer onpersoonlijk, althans in een zeer onpersoonlijke, erg traditionele taal, die langzamerhand in de literatuurbeschrijving historisch is geworden. Hij mist het vermogen tot persoonlijk karakteriseren, maar ook tot een compacte en spirituele ordening van het materiaal. Kortom: hij mist stilistisch vermogen.

John Took begint de tweede alinea van het hoofdstuk over Petrarca in de Cambridge History zo: 'The formal circumstances of Petrarch's life, with his endless oscillation between the courtly patronage of popes, priests en princes and the stillness of his country retreats, are themselves a metaphor of his spiritual existence.' Zo'n zin zit, is bewonderenswaardig van structuur en compactheid, maar verleidt de lezer ook meteen de tekst binnen. 'Leven en werk van Petrarca' begint Van Dooren met de zin: 'Een van de meest eminente en invloedrijke persoonlijkheden van de Italiaanse literatuur is Francesco Petrarca.' Dat is de weinig of niets zeggende taal van het handboek.

Waarom hebben gedegenheid en eruditie in Nederland zo vaak geen stijl? Stijl: het lijkt een waagstuk, een uiting van overmoed, onwetenschappelijkheid misschien zelfs. De macht van de taal tot het doen van vondsten wordt schromelijk onderschat, de kracht van de oorspronkelijkheid al evenzeer. Wat moet ik met zinnen als - uit de biografie van Petrarca: 'Te midden van de wereldse genietingen liet ook de liefde hem niet onberoerd'?

Als ik nu zeg dat het hoofdstuk over Petrarca heel goed is (zoals ook dat over Tasso, misschien wel het beste van het boek), dan lijkt dat vreemd, maar het stuk is zeer grondig. Alle belangrijke werken worden uitvoerig behandeld, de dubbelzinnige persoon die de dichter was, wordt goed beschreven. En dat geldt voor veel stukken in het boek, dat, als zoveel literatuurgeschiedenissen, heel goed als naslagwerk zal kunnen functioneren. En natuurlijk heb ik met de vergelijking met de Cambridge History gemakkelijk praten: die is geschreven door een groot aantal auteurs, vaak gedwongen tot beperking (die de stijl scherpt). Van Dooren heeft de vijf eeuwen van zijn geschiedenis op zijn eentje gedaan, als een kluizenaar van de wetenschap, die elke gewaagde gedachte buiten de deur zet.

Elke Nederlandse lezer zal jaloers worden op een literatuur met zoveel uitersten, zoveel uitzonderlijke dichters en schrijvers met zo vaak ongewone levens, op een poëzie die zich inruilt voor het Latijn, toneel dat zich inruilt voor het libretto van de opera, met zoveel verhevenheid en zoveel volksheid. En altijd in de verte die zes hoge bergen met eeuwige sneeuw op de top. Er is in geen land in Europa met zoveel grootspraak en gedisciplineerdheid, zo wild en gestileerd, zo onbesuisd ook geschreven. En - met Spanje - waarschijnlijk ook nergens zo veel. Zeker is er nergens zoveel bemind en gehaat. Die jaloezie gewekt te hebben - met zijn vele vertalingen, natuurlijk - is ook een verdienste van Van Doorens geschiedenis.

Meer over