Zelfs de stilte kan praten in Tanger Een literair tijdperk loopt op zijn einde

De Beatniks kwamen en gingen, en daarna de hippies. Maar die pakten het verkeerd aan, zegt schrijver Paul Bowles (87) vanuit zijn ziekbed in Tanger....

'DE DRANK, het is de drank', zegt zijn vriend verontschuldigend. Doelloos kriskrassen we door de medina van Tanger, niet lang nadat Marokko's literaire rebel Mohamed Choukri (1935) abrupt was opgestaan om te zeggen dat het welletjes was met het interview. Niet boos, beu.

Gedrieën stommelden we daarna de trap af. Op straat wees Choukri nog op een smerig portiek en vertelde over drugsgebruikers die hier rondhangen en hem al drie maal hebben beroofd. 'Ze kennen me niet meer.'

Hij ging linksaf. Het was geen lopen, meer een voortschrijden, gevolg van de glazen wijn die hij op dit vroege uur al op had. Als de Charles Bukowski van Marokko gaat hij door het leven. Een eenzame man in een grijs kostuum. Een Marokkaanse beatnik die tijdens het interview schamperde dat romantiek even zeldzaam is als sneeuw in de zomer. 'De vrouwen die ik bezoek zijn prostituees.' Het klonk trots.

De drank heeft Choukri kapot gemaakt, herhaalt zijn vriend. Hij zoop zoveel dat hij twee keer in een inrichting belandde. Dieptepunt was toen hij stomdronken op het balkon boven Café Roxy klom en het drinkende publiek onderpiste. De dokters hebben hem gewaarschuwd. Als hij zo doorgaat, leeft hij niet lang meer. 'Maar hij kan het niet laten.'

We lopen verder door de medina, de ommuurde Arabische stad met haar wirwar van stegen en bedwelmende geuren. De vriend wijst op het café waar Rolling Stone Brian Jones eind jaren zestig zocht naar Marokkaanse Joujouka-muzikanten. We komen langs de plekken waar Bertolucci The Sheltering Sky filmde. We passeren Café Central op de Petit Socco, waar Choukri, Bowles, Kerouac, Burroughs veertig jaar geleden rondhingen. De stad was toen een anomalie, beroemd om de kif, cannabis, de bordelen en de jongensprostitutie.

Aan die periode dankt Tanger zijn faam als bedevaartsoord voor aspirant schrijvers. Die logeren net als hun helden in Hotel El Muniria, een goedkoop pension in een steeg, waar Burroughs in kamer 9 Naked Lunch schreef.

Vergeet Casablanca, waar niemand 'Here's looking at you kid' zegt, en waar Rick's Bar van Bogart en Bergman onvindbaar is, omdat hij niet bestaat. Tanger is echt: gevaar en historie. En schrijvers: de incestueuze driehoek Mohamed Choukri, Lotfi Akalay, Paul Bowles. 'Je moet proberen Bowles te spreken', zegt iedereen. Goed. Maar eerst Choukri en Akalay.

Het is tien uur 's ochtends als we het terras van Café Roxy verlaten en de paar honderd meter naar Choukri's flat lopen. Hij woont op de bovenste verdieping. Twee kippen maken kabaal op het balkon. 'Wat wil je drinken?' Op een tafeltje staan een aangebroken fles wijn en een halve fles whisky. Choukri schenkt in. Een fijne mist van stof tempert het schelle licht in het appartement, dat eruit ziet alsof er in twintig jaar niets aan is veranderd. Het is een ongeordend museum, met stapels cd's, stapels boeken, een staande foto van een mysterieuze vrouw, vergeelde zwart-wit foto's aan de wand. Choukri met Jean Genet, 1969. Choukri met Tennessee Williams, 1973.

Choukri werkt hier aan het derde deel van zijn autobiografie. Het eerste, Hongerjaren (Novib), werd in negentien talen uit het Arabisch vertaald en was vijftien jaar lang verboden lektuur in Marokko wegens de expliciete seks en de drugs. Het maakte Choukri beroemd.

De ongeletterde Berber uit de Rif leerde pas op zijn twintigste lezen en schrijven. Hij gebruikte het klassieke Arabisch, maar zijn stijl - de afgemeten zinnen, de dynamiek - had hij afgekeken van schrijvers als Hemingway en Joyce. Tanger was Choukri's Dublin.

'Tanger is een mythische stad. De schrijvers blijven komen, ook al zijn ze minder bekend dan vroeger. Tanger is een noodzakelijke tussenstop. Sommigen komen hier en denken snel faam te kunnen verwerven. Maar ze kunnen geen weerstand bieden aan de verleidingen. Havensteden zijn altijd moeilijk. Alles wat je verwacht, kan je overkomen - alles wat je niet verwacht eveneens. Tanger is een droom.'

De verzwelgende fantasie dateert van 1923 toen de stad deel werd van de Internationale Zone, met een eigen bestuur en eigen regels. Veel mocht. Dat trok geld en excentriekelingen aan uit Europa en de Verenigde Staten.

I N PARIJS, 1931, raadde Gertrude Stein de twintigjarige Amerikaanse componist/schrijver Paul Bowles aan eens een kijkje in Tanger te nemen. Bowles schrijft in zijn autobiografie Without Stopping dat hij bij de eerste aanblik van de Noord-Afrikaanse kust meteen begeesterd raakte door de 'magie', die hij omschreef als 'de geheime verbintenis tussen de wereld van de natuur en het bewustzijn van de mens'. Tanger was toen een mondaine stad. 'Er was geen misdaad en het kwam bij niemand op om de Europeaan niet te respecteren.' Bowles zou zich langzaam maar zeker in de stad nestelen.

Choukri schreef een boek over Tangers beroemdste inwoner: Paul Bowles, Le Reclus de Tanger. Ooit was de Amerikaan zijn vriend. Nu niet meer. Hij dist een verhaal op over onbetaalde rekeningen. 'Hij heeft mijn geld gestolen.' Vervolgens beschuldigt hij Bowles van racisme. 'Hij houdt van Marokko, maar niet van de Marokkanen. Hij kwam in 1931 en wilde het land houden zoals hij het aantrof, primitief en traditioneel.'

Hij haalt uit. 'Bowles is een nihilist, uit op totale vernietiging. Hij is een sadomasochist.' Dan matigt hij zijn toon. 'Maar hij heeft belangrijke dingen geschreven, die wij zelf niet hadden kunnen schrijven omdat we ze verdrukken. Over de effecten van kif en over de Marokkaanse manier van denken.'

Choukri staat op. Over Tangers andere schrijver die momenteel aan de weg timmert, wil hij helemaal niets goeds zeggen. 'Akalay stelt niets voor. Hij is arrogant.' Lotfi Akalay zou Choukri niet hebben gegroet tijdens een literaire avond. Choukri pakt zijn jas.

Reisbureau Calypso Tour ligt op vijf minuten lopen van Choukri's huis. Het kantoor doet dienst als 'café society'. Spil is directeur Lotfi Akalay, iemand van een heel ander kaliber dan Choukri. Akalay heeft weinig op met Tangers beatniks of de hippies die na hen kwamen. 'Ze bleven onder elkaar. Buitenlanders waren letterlijk buitenlanders. Het was als de krokodil en de neushoorn, we leefden langs elkaar heen. Maar zonder vijandschap.'

De energieke Akalay (54) is tegelijk schrijver, columnist en directeur van Calypso Tour. Zijn schrijverscarrière begon laat. In 1990 publiceerde hij voor het eerst: een jazz-essay voor een Frans tijdschrift. 'Dat was tijdens de Golfoorlog. Er kwamen geen toeristen meer naar Marokko en ik had niets te doen. Jazz is mijn grote liefde. De eerste keer dat ik kippenvel kreeg, was toen ik Louis Armstrong en Earl Hines Basin Street Blues hoorde spelen.'

Daarna kwamen de columns voor een krant. 'Ik schreef in de persoon van beesten en dingen. Ik heb zelfs de stilte laten praten. En natuurlijk personages uit Tanger: de boeven, de hasj-smokkelaars, de bourgeoisie.'

Akalay filosofeert graag over zijn haat-liefdeverhouding met de stad. 'Ik weet wel waarom ik er niet van houd, maar niet waarom wel. Die onbekende liefde is veel sterker dan de bekende haat. Als ik rondloop, dan maak ik een reis door mijn leven. Er is een zinnelijke, tumultueuze relatie tussen mij en de stad. Er is woede en verdriet. Toen ik klein was, droomde ik ervan te wonen in een huis omringd door bomen. In die bomen hoorde ik Mozart en Vivaldi. Maar dat zal nooit gebeuren, want ik zal de middelen nooit krijgen. Van schrijven kun je hier niet leven. Als ik dan die rijke lui zie uit andere streken of andere landen, die wel de muziek in de bomen kunnen horen, dan word ik heel verdrietig. Dat Tanger mij mijn stukje paradijs niet heeft gegeven, en anderen wel.'

Twee jaar geleden publiceerde hij zijn eerste boek, De Nachten van Azed (Manteau/Ambo), een variatie op Duizend-en-één-nacht, lichtvoetig venijn, vol erotiek, overspel, corruptie en slechte, lelijke mensen. 'Ik ben geïnteresseerd in de mensen die ik niet mag. Mensen die je ziet en waarvan je meteen denkt dat ze niet aardig zijn, terwijl je niet weet waarom. Hen probeer ik te begrijpen.'

Akalay is een groots verteller. Wat dat betreft lijkt hij op Bowles. Hij is het niet eens met de kritiek van Choukri. 'Bowles was een voortreffelijk schrijver. Hij heeft me veel geleerd over de stad. Er was een duidelijk verschil tussen hem en de andere buitenlanders die over Marokko hebben geschreven. In Bowles' verhalen figureren veel negatieve personages. De reactie van de Marokkaanse intellectueel is dan dat Bowles een koloniaal en racist is. Daar ben ik het niet mee eens. In de eerste plaats om een puur intellectuele reden: als iedereen hetzelfde roept, word ik wantrouwend. Dan klopt er iets niet.

'Natuurlijk zijn niet alle Marokkanen slecht. Maar Bowles heeft geen westerse literatuur willen schrijven. Zo van: ik ga naar een land, ontdek het, ben gelukkig, zie alles wat ik bij mij thuis niet vind en schrijf het op, als een soort prettige afleiding. Bowles zei: ''Ik zie dat er problemen zijn. Ik ben niet in dienst van het land, maar van mijn geest.'' Hij heeft nooit het dictaat van de beleefdheid geaccepteerd.'

Bij het weggaan: 'Je moet hem opzoeken. Tussen vijf en zeven is hij het best benaderbaar.'

K WART OVER vijf. De naam Bowles zegt de taxichauffeur niets. Maar hij weet wel dat er in de buurt van het Amerikaanse consulaat een buitenlandse excentriekeling woont. 'Het is zeker die man met die rare auto?'

Tien minuten rijden. 'Ja, monsieur Bowles woont hier', zegt een jongentje dat voor een armoedige flat snoep verkoopt. Hij loopt mee naar binnen. Een pikdonkere lift stopt op de vierde verdieping. Een vrouw doet open. Ze verdwijnt en komt terug. 'Twee minuten', klinkt het streng.

Een broodmagere man ligt in een kamerjas op bed, onder een groenwitte overtrek. Het bed staat in de hoek van een kamer die geen enkel daglicht toelaat. Het licht komt van een bureaulamp. Het is er doodstil en stikbenauwd. Voyeurisme ten top.

'Ik geef geen interview hoor', waarschuwt de 87-jarige Bowles. Maar vijf minuten later stuurt hij de bediende weg. 'Ik krijg elke dag bezoek en sta de meesten te woord. Ik wil niet onaardig overkomen. Ze willen even praten, of een handtekening.'

Hij praat moeizaam. 'Ik ben erg zwak.' De tafel ligt vol medicijnen. Hij vertelt over de twee bypassoperaties, over de kankergezwellen die zijn weggehaald. 'Ik leef al zeven jaar zo. Ik kom nooit meer buiten. Doktoren hebben nu eenmaal op zich genomen mensen te laten leven. Maar ik wil geen operaties meer.'

Soms vallen er lang stilten, of moeten vragen opnieuw worden gesteld. Maar als hij spreekt, is het in heldere bewoordingen. Vooral over zijn stad.

'De jaren dertig waren het mooist. Het was toen heel Marokkaans. Geen verkeer, geen auto's, geen radio's. Rond de Grand Socco had je wagens met paarden. In de medina klonk het geluid van honderdduizenden menselijke stemmen.'

Hij lacht om Choukri's aantijgingen dat hij een racist, een koloniaal en een nihilist is. 'Nihilist, nee. Anarchist komt dichter in de buurt. Ik wil dingen behouden, niet kapot maken. Je kan Choukri niet serieus nemen. Hij drinkt en dat belemmert de geest. Ooit was hij een briljant schrijver.'

B OWLES HOORDE nergens bij, niet bij de beats en zeker niet bij de hippies. 'De beats - Burroughs, Ginsberg, Kerouac - kwamen hier niet heen om over Marokko te schrijven. Ze waren persona grata, ze werden geaccepteerd. Zij schreven en schilderden. Zij waren serieus, ze hadden een filosofie. Ze kwamen in een grote golf en verdwenen weer.'

Met de hippies heeft hij niets op. 'Die pakten het verkeerd aan. Ze probeerden te integreren met de moslimbevolking, door op blote voeten te lopen enzo. Maar ze waren heel stom door te doen wat alleen Marokkanen mogen doen: kif verkopen op straat. Zo ontstond rivaliteit.'

Bowles is altijd outsider gebleven. Hij voelt niet de pijn van Lotfi Akalay als die constateert hoe zijn geboortestad aftakelt. Het Tanger van nu is de vervallen grandeur van de gebouwen uit de jaren dertig, misdaad, drugshandel en analfabetisme. Er lopen veel mensen rond met littekens. In het beroemde Café Central in de medina ruikt het nog altijd naar kif. Maar nu zijn de inhaleerders geen Amerikaanse beatniks, maar ongeletterde migranten uit de Rif, die geen benul hebben van Genet of Burroughs. Boekenzaken zijn op een hand te tellen. Slechts één winkel verkoopt werken van Bowles en Choukri. Een literair tijdperk loopt ten einde.

De auteur hoort het onbewogen aan. Hij leefde voor het nu, en heeft dat tot in extremo gedaan. Marokko - de mensen, de natuur, de majoun (hasj vermengd met jam), de verhalen, de geschiedenis, Tanger voedden zijn geest. Hij gaf boeken terug. Dat die nalatenschap nu al verdampt, deert hem niet. 'Mensen willen televisie, en dat is funest voor verhalen en muziek. De muzikanten zijn overleden of verhongeren. Verhalenvertellers werken in garages. Er is hier weinig toekomst voor schrijvers. Mensen zullen steeds minder lezen en schrijven. Die kunst zal voorbehouden zijn aan enkele individuen, net als in de Middeleeuwen.'

Meer over