Zelfs de indiaan sprak Low Dutch

Driehonderd jaar lang overleefde in Amerika een soort Nederlands. De mensen die het spraken, tot 1920, leefden in afgelegen streken en waren vaak niet blank....

Het steekt de Nederlanders nog altijd dat onze voorvaderen in de zeventiende eeuw New York hebben verkwanseld aan de Engelsen. Stel je toch eens voor: zonder die misser hadden de Amerikanen nu Nederlands gesproken.

Misschien een kleine troost: een groepje Amerikanen heeft sinds 1625 inderdaad Nederlands gesproken, tot in de twintigste eeuw. Nog rond 1920 spraken leden van geïsoleerde gemeenschappen op geringe afstand van New York een enigszins ver-Engelste vorm van ons zeventiende-eeuws.

Tot die conclusie komt prof. dr. Jaap van Marle, decaan cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit in Heerlen. Van Marle is van huis uit morfoloog, gespecialiseerd in taalverandering. Hij onderzoekt de taal van de Nederlandse protestanten die in de tweede helft van de negentiende eeuw als kolonisten neerstreken in de Mid-West, in staten als Iowa, Michigan, Wisconsin en Illinois.

Die late protestante kolonisten trokken vanaf de Amerikaanse oostkust via het noorden van de staten New York en New Jersey naar het westen, om daar boer te worden. Zij meldden dat ze onderweg mensen hadden ontmoet die er allang woonden en die Nederlands spraken. Voor sommige van de protestanten was dat verstaanbaarder dan voor andere, afhankelijk van de sterk uiteenlopende dialecten die ze wederzijds bezigden.

Dat wekte Van Marles nieuwsgierigheid, een bevolkingsgroep die zo laat na de zeventiende-eeuwse Nederlandse opmars in Noord-Amerika de taal nog altijd sprak. Doorgaans verdwijnt de moedertaal van kolonisten definitief na een generatie of drie, vier, om volledig plaats te maken voor de lokale dominante taal.

Op zoek naar ondersteuning voor de beweringen over vroege Nederlands sprekenden aan de Amerikaanse oostkust, stuitte Van Marle op wat in de literatuur 'Low Dutch', of 'Laag Duits' heet. De grondleggers daarvan waren rond 1625 in Amerika aan wal gegaan. De Nederlandse kolonisten, al dan niet boeren, bleven Nederlands spreken en dat werd ook de taal van hun slaven en bedienden. Zelfs de indianen die in dat gebied woonden, leerden Nederlands. Een deel van die mensen en hun nazaten kwam vervolgens terecht in moeilijk bereikbare, afgelegen streken. Isolement is voor een 'kleine' taal de voornaamste voorwaarde voor behoud.

Van Marle verhaalt hoe hij op zoek ging naar de gebieden waar deze mensen moeten hebben gewoond. Tot zijn verbazing belandde hij minder dan honderd kilometer benoorden het overbevolkte New York City al in de wildernis. Daar leiden onverharde wegen naar afgelegen nederzettingen, zoals in de Ramapo Mountains.

In afgelegen dorpjes wonen gemeenschappen, doorgaans bestaand uit gekleurde mensen, vaak met deels indiaans bloed, onder zigeunerachtige omstandigheden.

Deze bewoners bevestigen de verhalen van de negentiende-eeuwse protestanten. Ze spreken zelf geen Nederlands, ze verstaan het ook niet. Maar ze vertellen dat ouders en grootouders het inderdaad spraken. Ze vinden zichzelf volgens Van Marle niet eens Amerikanen. 'We're different: we're Dutch', zeggen ze vol trots.

Het Low Dutch waarnaar Van Marle zocht, is echter uitgestorven. Rond 1920 resteerden nog een paar oudere sprekers, wier kinderen wel Nederlands verstonden, maar het niet spraken. Die kinderen zijn inmiddels ook overleden. 'De mensen daar leiden een zwaar en hard leven, niemand wordt er ouder dan zestig, en dat is al stokoud', zegt Van Marle.

Het Low Dutch fungeerde louter als spreektaal, tussen mensen die onderwijs genoten in het Engels, of zelfs helemaal niet naar school gingen. Er bestaan van het Low Dutch geen geluidsopnamen, en het is ook niet opgeschreven. Hoe het heeft geklonken, weten we dus niet en het valt ook niet meer te achterhalen.

Nú nog taalkundig onderzoek doen naar woordenschat en grammatica van het Low Dutch, op basis van nieuw materiaal, is daardoor niet mogelijk. In het verleden is zulk onderzoek wel gedaan, zij het mondjesmaat. Van Marle vond wetenschappelijke literatuur over de taal, daterend van 1911 en 1913. Daaruit blijkt dat Low Dutch grammaticale invloeden van het Engels vertoonde. Zo week de woordvolgorde in zinnen af van de Nederlandse. En de typisch Engelse progressive form: 'I'm fishing' (letterlijk: 'ik ben vissende') werd in Low Dutch: 'Ik was te gang met vissen'.

Ten langen leste is het Low Dutch dus toch ten onder gegaan. Van Marle benadrukt dat hij taalkundige is en geen antropoloog. Hoe het proces van verdwijning precies is verlopen, is niet helemaal duidelijk. Voor zover hij heeft kunnen nagaan, zijn de blanke nakomelingen van de vroege Nederlandse kolonisten in de negentiende en begin twintigste eeuw uiteindelijk toch in de Amerikaanse samenleving opgegaan.

Hun bevrijde slaven en bedienden, plus een aantal indianen in dat gebied, lijken bewust voor een leven in isolement te hebben gekozen, liever dan in de stad te worden behandeld als tweederangs burgers. Het zijn juist die geïsoleerde groepen van gekleurde mensen en hun nakomelingen die het Nederlands zo lang als spreektaal hebben gehandhaafd.

Driehonderd jaar overleven, van rond 1625 tot na 1920, naast een dominante eerste taal, dat is uitzonderlijk lang, benadrukt Van Marle. 'En dat voor een taal die niet op school werd onderwezen, die niet werd geschreven en die zelfs geen dienst deed om de traditionele godsdienst of het cultuurgoed door te geven.'

Meer over