Boeken

Zelfbewuste gedichten over een schrikwekkende werkelijkheid ★★☆☆☆

Rob Schouten is een dichter die precies weet wat hij doet. In deze bundel verliest hij het evenwicht.

Wie zich zo nu en dan terugtrekt in het eigen hoofd kan het bij het betreden van de buitenwereld soms voorkomen als vormde alles een grote bedreiging. Een rinkelende fietsbel in de straten van Amsterdam bijvoorbeeld komt voor de gedetineerde in het eigen hoofd al gauw over als een persoonlijke aanval. Hordes toeristen, zo stel ik me voor, moeten voor hem voelen als een leger dat over hem heen dreigt te lopen. Op zo’n moment schrikt de dichter, Rob Schouten in dit geval, op en denkt: dit moet dus de werkelijkheid zijn.

Hyperbewust

Zo luidt althans de titel van Schoutens nieuwe bundel, waarin de werkelijkheid soms grootsdreigend is, wanneer er verwijzingen zijn naar de Brexit (zucht), Trump (niet weer) en ‘onze boreale wereld’ (dan weet je het wel); soms is die onschuldig klein, zoals de hierboven genoemde fietser of toerist tonen. Schouten lijkt zich bij vlagen hyperbewust wanneer hij zijn reactie op met name dat onschuldige verwoordt: ‘De stad legt hulpeloze fietsers bloot,/ heel irritant maar ook verachtelijk/ dat het me ergert’. Of eigenlijk hebben alle gedichten in deze bundel wel iets van dat zelfbewuste. Hier werkt een dichter die verdomd goed weet hoe het moet.

Niet voor niets is Rob Schouten een dichter die voor velen, onder wie enkele van de groten, een leermeester is. Hij weet heel precies hoe het poëtisch instrumentarium te gebruiken. Contrast of klankassociaties, omkeringen, rijm en overdrijvingen, alles komt voorbij. Het allergrootste, de kosmos, gaat bij hem hand in hand met het banaalste, bijvoorbeeld de grootte van een pik.

Ironie

Daarbij is hij een grootmeester waar het aankomt op ironie. Zo wist hij voorheen zelfs van het cliché aller clichés, de zonsondergang, een origineel liefdesgedicht te maken. Maar ironie komt heel nauw. Soms verliest een ironicus het evenwicht. Dat is helaas het geval in Dit moet dus de werkelijkheid zijn, waar ik toch struikelde over regels als: ‘Ik ben die hele oorlog misgelopen/ opdat ik ongestoord kon puberen/ richting gesubsidieerd dichterschap,/ en nu, ondanks de verkoopcijfers,/ legt mij mijn uitgever geen strobreed in de weg.’ En een rijm als ‘wie zwijgt stem toe/ om van oud jong en stom/ en van goed fout te worden/ in plaats van andersom’ helpt ook al niet. De krul op mijn lippen wil bij het lezen van deze overgeïroniseerde regels maar geen echte glimlach worden.

En die krul wil zich ook verderop in de bundel niet oprichten. In alle eerlijkheid weet ik niet goed wat ik aan moet met een gedicht als ‘Snel een grotere penis met Viking XL’, dat eindigt met de strofe: ‘Godin, bezing de knots!/ Domtoren, praal!/ O schrik der dames!/ Een el aub, amen!’ En ook niet met ‘Tattoo’, het gedicht dat direct daarvoor staat en dat zo opent: ‘Inktzuster met je aarsgewei/ die stevige scheet uit je reet,/ hoe lieflijk was je zonder/ en hoe ontluisterend met.’ De dichter is ondertussen duidelijk uit zijn hoofd langs de treden van zijn ruggegraat afgedaald, en nu, tussen de benen, blijkt de werkelijkheid nog steeds schrikwekkend.

null Beeld De Arbeiderspers
Beeld De Arbeiderspers

Rob Schouten: Dit moet dus de werkelijkheid zijn. De Arbeiderspers; 72 pagina’s; € 18,99.

Meer over