Zelf is de schrijfster 'solipsiste'

SOMMIGE debutanten moeten echt alles uit de kast trekken om hun verhaal geplaatst te krijgen. Marguerita Pasquini (1962) is er zo eentje....

Met een zo rijk bedeelde ik-figuur - uiteraard een vrouw die Marguerita Pasquini heet en wanhopig probeert schrijfster te worden - moest het eindelijk eens lukken bij 'de redacteuren'. Naast dit proza verschrompelde Giphart toch wel tot een argeloze kleuter met snottebel. En inderdaad, de verhalen verschenen in de, na een over het hoofd geziene literaire revolutie inmiddels vergeten tijdschriften Mosselvocht en Zoetermeer. En nu bij Prometheus, want achter elkaar gezet leken dertien van die verhalen net een roman. 'Echt, mensen kennen hun plaats pas als hun huis in de fik staat, hun kinderen en huisdieren verbrand zijn en hun eigen lichaam een verschroeide ossobuco is geworden', zegt een wijs personage, een Italiaanse brandweerman. Mmmm. . ., verschroeide ossobuco. Klinkt lekker, smaakt vies, en slaat nergens op. Mooie romantitel.

In het proza van Pasquini moet alles lijken op iets dat eerder is geschreven, gefilmd, of geboetseerd, en mag geen enkel sprekend ingevoerd personage uit Nederland komen. Dat zijn de grondbeginselen. Derde eis is dat elke zin heel leuk is.

De eerste van een lange reeks minnaars van Marguerita is danser Rodolfo, een 'stuk Clint Eastwood in balletmaillot'. Hij is half Italiaans, half Zwitser, dus tevens 'een stuk Knoedel alla Bolognese', die het 'als Godfather zo slecht nog niet deed'. Zij studeert Russisch, dus: 'Onder het motto 'Modestus is my name, but folks call me Caesar' stemde Rodolfo zijn globetrottersgeest af op de balalaika en vatte in rap, zij het wat ongepolijst Russisch, zijn curriculum samen.' Een karakter heeft hij ook nog: 'Zijn opportunisme bevond zich in de serie goedgemikte vraagjes precies in het midden tussen narcisme en Hobbesiaans altruïsme.' Zelf is de schrijfster 'solipsiste', dus met de tango tussen die twee wordt het niks. Bovendien, 'de Balletbull was niet voor geintjes in', en de schrijfster had net een 'Monthy Pythonrelatie' achter de rug.

En zo gaat het door, bijna tweehonderd pagina's lang. Na de dansende os volgen enkele Ierse IRA-terroristen, de enige mannen bij wie 'Margy's' hormonen op tilt slaan. Helaas voldoen ze niet als minnaar. De een raakt haar aan alsof ze 'de Danaïde van Rodin is', en daar schiet je, hormonaal, natuurlijk niets mee op. Als zij hem na een uiteindelijk toch nog geslaagde, klodderig beschreven 'allround-servicebeurt', haar liefde verklaart, rent hij weg. Een ander, de gevaarlijke 'Sonny Moonpolish', drijft een geladen pistool in haar lieflijke vrouwelijkheid, nadat ze in zijn papieren heeft zitten snuffelen. Dat werkt, hormonaal, al iets beter. Waarop ook hij de benen neemt, en het 'gangsterliefje' in een jarenlange depressie zinkt.

Gevlucht naar het warme vaderland, ziet Marguerita in Rome haar neef Dario terug. Het is een feest der herkenning: 'Dario lachte een beetje hysterisch mee. Hij is ook een Borderliner.' De diagnose is dan gesteld, en verklaart veel. Borderliner, was dat niet de naam voor zo'n beetje alle psychische aandoeningen die een mens maar kunnen treffen? De polyglotte, in filosofie, kunst en sadisme doorknede schrijfster, ook wel 'dichteres', die jarenlang stoned en dronken in haar hangmat schommelt, is dus eigenlijk een zielig geval. Een mooi, slim meisje dat, horen we later, eigenlijk voor haar macho-vader een zoon had moeten zijn, en het bloed van de muren had staan krabben als papa weer eens een driftaanval had gehad. Een slachtoffer uit een treurig immigrantengezin, dat na dertig jaar niet anders meer kan dan wanhopig om aandacht schreeuwen, kennis etaleren en zich door misdadigers laten verwonden. Het gegeven verleent Pasquini's roman enige logica, al wordt het manische proza er niet leesbaarder door.

Dat is jammer, want uit enkele hoofdstukken - eigenlijk verhalen - in dit boek blijkt dat Pasquini, als ze haar dwangmatige neiging tot grappig zijn en citeren even onder de duim houdt, heel aardig kan schrijven. 'Verschroeide ossobuco en tortellini in brandnetel-roomsaus' is een levendig, beeldend geschreven verhaal over een aardige, drukke Romeinse familie, waarin soms wel twee bladzijden lang geen schrijver of filmer wordt genoemd. In 'Vuile fikken', waarin Marguerita voor straf - haar 'wietplantage' op zolder is ontdekt - schoonmaakster is in een verpleegtehuis, weet ze zelfs iets van ontroering te wekken. Oog in oog met mensen die half in het graf staan, worden de besognes van een gangsterliefje wat potsierlijk, en gelukkig ziet ze dat zelf ook in: stinkend naar zweet na het zware werk, voelt ze zich eindelijk goed, 'alweer een bewijs dat depressies een luxe zijn'.

In 'Eerste oorzaken en laatste gevolgen' blijkt de heethoofdige familie die haar jeugd te gronde richtte, een vriendelijk bejaard ouderpaar in een Zaans huisje te zijn, dolblij hun verloederde, beminde dochter weer eens te zien. Het verhaal is goed geschreven, de zelfspot een verademing. Helaas wordt deze echt literaire opflakkering in het laatste verhaal, 'All you need is love' - waarin de toch ongeneeslijk hysterisch gebleken schrijfster besluit seriemoordenares te worden - weer gedoofd. De slotzin is een toppunt van leuk: 'Hé, daar had je Jos Brink bij het Tropenmuseum. Gotsammebeware, een gereformeerde homo doing Paradise-promo, was dat even zwijnen.'

Meer over