Zeepjes en geurwater

Een doos met zijn verzameld werk op zestien cd’s, en de Nederlandse vertaling van de biografie door Adam Zamoyski luidden het Chopin-jaar 2010 in....

Darmproblemen, overgeven, kiespijn, abcessen, allergieën, taaislijmziekte wellicht, vermoedelijk ook een geslachtsaandoening: de grote componist Frédéric Chopin was allesbehalve een toonbeeld van gezondheid. De doktoren die hem onderzochten waren het er over eens dat hij een aandoening aan het strottenhoofd had. Maar over de ziekte die hem vanaf zijn jonge jaren teisterde en hem op zijn 39ste fataal werd, de tuberculose, verschilden de meningen nu juist aanzienlijk.

Adam Zamoyski’s Chopin-biografie, waarin al dit fraais beschreven staat, brengt allereerst een groot gevoel van deernis met de hoofdpersoon teweeg – gecombineerd met dankbaarheid dat de medische wetenschap zich de afgelopen tweehonderd jaar in flink tempo heeft ontwikkeld.

Zamoyski maakt dankbaar gebruik van deze nieuwe inzichten, en gaat uitvoerig in op de fnuikende uitwerking die tbc kan hebben op het geestelijk evenwicht – wat natuurlijk direct betrekking heeft op de creativiteit. Inderdaad was Chopins productie zeker in zijn laatste levensjaren erg wisselvallig. Desondanks slaagde hij erin om in zijn korte leven een imposante hoeveelheid muziek te componeren. Daarvan getuigt een kloeke doos met zestien cd’s, waarin EMI het complete werk bijeen heeft gebracht. Dit alles naar aanleiding van Chopins tweehonderdste geboortedag, die officieel op 1 maart valt, maar vermoedelijk op dit moment al weer achter ons ligt: in een Pools doopregister staat zijn geboortedag als 22 februari aangegeven.

Er heerst gewoonlijk wat onduidelijkheid over de nationaliteit van Chopin, omdat hij een Franse vader had en het grootste deel van zijn volwassen leven in Frankrijk doorbracht, maar hij was echt in hart en nieren een Pool. Hij leerde nooit vloeiend Frans spreken en bleef zich ook altijd een expat voelen.

Zamoyski – afstammeling van een adellijk Pools geslacht, geboren in New York, opgeleid in Oxford – schreef zijn Chopin-biografie al in 1979, maar heeft het boek in het kader van het eeuwfeest herzien en uitgebreid. Het is niet eerder in het Nederlands verschenen. Zo te zien hebben de vertalers een iets te krappe deadline gehad. Zo ‘vergaste’ Chopin zijn collega Moscheles op imitaties van Liszt, had de villa waar hij op Mallorca verbleef ‘stoven zonder schoorsteen’ en hebben twee werken voor piano en orkest ‘pianodelen’ in plaats van ‘pianopartijen’. Fouten van dat laatste soort zijn schaars, maar dat komt vooral doordat het boek weinig vaktermen bevat. Zamoyski is historicus en geen musicoloog. Hij richt zich allereerst op de biografische aspecten van zijn onderwerp, en dat doet hij op uiterst gedegen wijze.

Soms doet het verhaal denken aan society-berichtgeving of aan een roddelblad, maar dat komt doordat Chopin al heel vroeg in de beau monde verkeerde, en diverse romances aanknoopte, waarvan die met de tempestueuze schrijfster George Sand het bekendst geworden is. Hij stond op goede voet met zowat alle grote componisten van zijn tijd, zoals Berlioz. Liszt, Mendelssohn en Schumann. Een van zijn beste vrienden was de schilder Eugène Delacroix.

Uit dit relaas komt Chopin naar voren als een sympathieke, bescheiden man, die zichzelf niet in de hoogte stak. Zelfspot was hem niet vreemd. Zo karakteriseerde hij een aantal stukken van zijn hand als ‘spinnenwebben met handgeschreven vliegen’. Tegelijkertijd had hij onzelfstandige trekjes en was erg afhankelijk van anderen. Hij was een beetje pietluttig: hij besteedde veel zorg aan zijn kledij en de inrichting van zijn appartementen. Zeep en reukwatertjes hadden zijn warme belangstelling. Op een of ander manier spoort dat goed met het sensuele karakter van zijn muziek.

Hij was van jongs af aan, eerst in Wenen, later in Parijs, een buitengewoon succesvol musicus, die iedereen verblufte met de fijngevoeligheid van zijn spel. Maar hij trad niet graag op voor publiek. Vanaf 1835 gaf hij zelfs geen optredens meer met orkest. Zijn spel leende zich daar ook slecht voor, want hij speelde dikwijls te zacht om boven het orkest uit te komen. Zijn kracht lag in een subtiele benadering van de dynamiek, waarmee hij wanneer hij solistisch optrad wel degelijk daverende fortissimo’s wist te suggereren.

Het liefst vertoonde hij zijn kunsten tijdens muzikale soirees ten huize van adellijke begunstigers, waar hij ook zijn talenten als improvisator tentoon kon spreiden. De solo-optredens die hij na 1835 nog gaf, waren zeldzame spektakels waarvoor het publiek te hoop liep. Hij had er goudgeld mee kunnen verdienen, maar de spanning was hem te veel.

Want het verhaal dat Zamoyski zo smakelijk opdist aan de hand van anekdotes, brieven en ooggetuigeverslagen uit die tijd – alles evenwichtig voorzien van de juiste politieke en maatschappelijke achtergrond – wordt meer en meer overschaduwd door Chopins zwakke gezondheid. ‘Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat elk stuk dat hij componeert hem een aantal dagen van zijn leven kost’, schreef Jane Welsh Carlyle, de echtgenote van de schrijver Thomas Carlyle, in 1848, een jaar voor Chopins dood.

Het boek gaat vergezeld van een cd die oorspronkelijk is uitgebracht in 1995 als de helft van een dubbel-cd met de titel The Best of Chopin. Met pianisten als Claudio Arrau, Bella Davidovich en Rafael Orozco biedt het schijfje een mooie steekproefsgewijze aanvulling op het boek.

Maar de echte liefhebber koopt er natuurlijk de doos met complete werken bij, al zal hij zich hopelijk realiseren dat hij voor veertig euro niet te veel mag verwachten. Ja, de muziek van Chopin staat er compleet op, in uit de EMI-catalogus bijeengezamelde uitvoeringen van soms bijna antiquarisch gehalte, zoals de opname van de liederen uit op. 74, die stamt uit 1955. De tekst daarvan is niet afgedrukt in het boekje, en zelfs een simpele verwijzing naar een site als www.recmusic.org/lieder was blijkbaar nog te veel moeite.

Met vijf cd’s is de nuchtere Amerikaan Garrick Ohlsson de dominante pianist in deze collectie, met de delicaat spelende Brit Ronald Smith als goede tweede. Blijer worden we van de pianosonates, ballades en scherzo’s van Cécile Ousset. André Previn, Leif Ove Andsnes en Daniel Barenboim; nog een hele stoet kleine en grote pianisten vullen de gaatjes.

De raarste bijdrage komt van Agustin Anievas, die in de walsen een zwalkend rubato hanteert dat zeer zeker niet klopt met wat Chopins vriend Ferdinand Hiller over diens spel vertelde: ‘In zijn geval ging ritmische precisie samen met een vrijheid van melodie, wat het idee gaf dat hij improviseerde.’

Meer over