Zee en Post

Richard Weber, op 1 februari op 97-jarige leeftijd overleden, was de eerste directeur van het Postmuseum in Den Haag en won in 1930 op de Europese kampioenschappen roeien in Luik zilver in de vier-met-stuurman....

Peter Brusse

De passies vielen samen in een sierlijk verhaal over de Michiel de Ruyterzegels die in 1907, ter herdenking van zijn 300ste geboortedag, waren uitgegeven. Richard Weber, ook in 1907 geboren, groeide op in een keurig Haags ambtenarengezin. Hij wilde naar de Hogere Zeevaartschool, maar zijn vader keurde dat idee af. Hij ging geschiedenis studeren in Leiden en promoveerde in 1936 op een gedetailleerde studie van De Beveiliging van de Zee tegen Europese en Barbarijnse Zeerovers tijdens het Twaalfjarig Bestand in de Tachtigjarige Oorlog.

Richard Weber was een bescheiden, ietwat afstandelijke man die in zijn publicaties voorzichtig gevoelens durfde beschrijven die hij in het dagelijks leven nooit kon uiten. Hij kon schitterend verhalen vertellen, over koetjes en kalfjes praten lukte niet; en een oordeel over maatschappelijke of persoonlijke problemen die hij niet begreep, vormde hij pas na ze uitvoerig in de Koninklijke Bibliotheek, te hebben bestudeerd. Hij was gesteld op zuiver taalgebruik en toen een serveerster in een Haags theehuis, blij om de fooi uitriep:

'Hartstikke bedankt meneer', zei hij: 'Kind, dit is een lelijk woord, dat mag je niet gebruiken.'

In 1936 trad hij bij de PTT in dienst als conservator en daarna als directeur van het nieuwe Nederlandsch Postmuseum (nu het Museum voor Communicatie), dat in 1951 in de Zeestraat in Den Haag de deuren opende. Het was kleiner en simpeler dan hij en bevriende architecten in hun stoute dromen hadden verlangd.

Hij werd een gezaghebbend figuur in de wereld van de Europese postmusea door zijn artikelen over museumbeheer. Hij had een neus voor het ontdekken van bijzondere seintoestellen, zware vrachtwagens met meetapparatuur, postbussen en postzegelverzamelingen die hij voorzag van veel tekst en uitleg; te veel meenden medewerkers vaak. Hij was toonaangevend in het rubriceren van collecties en het geven van rondleidingen. Hij bemoeide zich met alles; van publiciteit tot het veiligheidsslot op de vitrinekast. Ieder stukje hout kon bij een volgende tentoonstelling opnieuw worden gebruikt en wie na een boodschap niet terstond het wisselgeld teruggaf, wachtte een reprimande.

Aan zijn kleinkinderen vertelde hij zorgzaam dat ze voortaan de datum op hun brief moesten zetten, want anders zou je later niet meer weten wanneer het lieve briefje aan opa was geschreven.

Hij was een verwoed toerschaatser, fietste op zijn eentje over Brennerpas naar Italië en roeide in de hongerwinter naar boeren in de polder om eten te halen. De Duitsers lieten roeiers meestal met rust. Tijdens die tochten raakte hij meer en meer verknocht aan het Hollandse landschap. Hij begreep hoe belangrijk de zee was voor de wording van ons land en in 1961 richtte hij met anderen de Nederlandse Vereniging voor Zeegeschiedenis op. Wekelijks vergaderde hij met zeehistorici in het museum. Dan brandde uren het rode lampje: niet storen.

Na zijn pensionering wijdde hij zich volledig aan de zeegeschiedenis en schreef boek na boek.

Hoogtepunt was een wetenschappelijke catalogus van de 600 tekeningen van de schilder van de zeeslagen in de Gouden Eeuw, Willem van de Velde de Oude. In een condoleancebrief schreef een bekende: 'Hij was iemand om je hoed voor af te nemen.'

Meer over