Zedenschetsen over hompelaars

De personages in het werk van Marijke Höweler kunnen niet goed overweg met het moderne leven. Veel lezers herkenden zich hierin....

Aleid Truijens

Marijke Höweler, die op vrijdag 5 mei in Amsterdam op 67-jarige leeftijd overleed, was een schrijfster die korte tijd succesvol, beroemd en in de mode was. Haar tweede boek, Van geluk gesproken (1982) werd een bestseller. Ook de boeken die ze daarna in de jaren tachtig schreef, zoals Bij ons schijnt de zon (1983) en Mooi was Maria (1885) werden toegejuicht. Maar daarna werd het stil rond Marijke Höweler. Ze schreef 13 boeken, de laatste in 2002, maar een nieuwe ‘Höweler’ was al lang geen gebeurtenis meer. Toch waren er lezers die haar trouw bleven volgen.

Al in 1964 schreef ze een verhalenbundel, Tranen van niemand en andere verhalen, maar die werd vrijwel niet opgemerkt. Maar in 1982 – Höweler werkte inmiddels als psychologe aan de Vrije Universiteit – was het raak. Van geluk gesproken werd door de literaire kritiek juichend onthaald. Zelfs door Gerrit Komrij. Nadat hij in zijn recensie veel onaardigs had gezegd over het uiterlijk van de schrijfster, eindigde hij met: ‘Wat had ik ongelijk met mijn argwaan! (*) Het is nauwelijks voor te stellen dat dit boek een debuut is, zoveel vaardigheid spreekt eruit. Alles buitelt en prikt.’ In 1987 verfilmde Pieter Verhoeff het boek.

Zedenschetsen, zo kun je Höwelers genre noemen. Satirische verhalen over hompelaars die niet goed met het moderne leven overweg kunnen. De hoofdpersonen zijn vaak ‘nieuwe vrijgestelden’, zoals ze toen heetten, met een gerieflijke baan aan de universiteit en te veel vrije tijd, die gevuld wordt met overspel en gezanik. Intussen hebben ze puberende kinderen en moeten ze in relatietherapie.

Velen herkenden zich in deze hilarische tranches de vie. De schrijfster trad op in allerlei fora waar ze snedig uit de hoek kwam met sarcastische, maar nooit echt bijtende typeringen. Haar populariteit kreeg Annie M.G. Schmidt-achtige trekken. ‘Als ik mezelf alleen vanuit de verte zou kennen, zou ik ontzettend jaloers op mij zijn’, zegt ze in een interview met Emma Brunt uit 1986. Haar baan aan de universiteit, grote inspiratiebron, zegde ze op. En toen raakte de literaire kritiek ineens uitgekeken op haar vederlichte thematiek en herkenbare typetjes.

In haar laatste boek, Onder de gordel (2002) portretteert Höweler een schrijver die onverwachts een bestseller heeft. Dat succes ontwricht hem lelijk.

Op de laatste pagina krijgt hij krijgt zelfs ‘de literatuurprijs’, maar hij voelt dat ‘de dood hem op de hielen zit’. Zijn vrouw snikt: ‘Niemand kan de grote literatuurprijs meer dan twee jaar overleven: Koolhaas, Reve, Durlacher, Keesom, Wieringa*’ Dat was haar allerlaatste sneer, wonderlijk actueel.

Aleid Truijens

Meer over