‘Ze vinden mij niet schoon genoeg’

De meerwaarde van zijn schrijverschap ligt in Europa, niet in Turkijke. ‘Voor mij is het Duits geen kerkhof.’..

Van onze medewerker Michaël Zeeman

‘Zodra er in Duitsland over mij en mijn werk geschreven wordt, verzuimt niemand ooit erbij te vermelden dat ik een ‘migranten-achtergrond’ heb’, zegt Feridun Zaimoglu (42) gelaten. ‘Maar waarom vertelt niemand erbij dat ik daardoor toch vooral een ‘Duitse voorgrond’ heb? Mijn ouders zijn als gastarbeiders uit Turkije naar Duitsland getrokken: dat is het grootste geschenk dat zij mij gegeven hebben. Ik ben wakker gekust door de Duitse traditie, de meerwaarde van mijn schrijverschap ligt in Europa, doordat ik deel heb gekregen aan de enorme rijkdom van de Duitse culturele erfenis.’

Daags na de première van zijn drastische bewerking van vier Molière-komedies tijdens de Salzburger Festspiele viel de Turks-Duitse schrijver Zaimoglu afwisselend ten prooi aan verbazing en plezier. ‘Heb je gezien hoe de critici mij proberen te verscheuren?’, vraagt hij met twinkelende oogopslag. ‘Mij en de regisseur Luk Perceval wordt verweten dat wij een stelletje perverselingen zijn, seksueel gefrustreerde lieden die zich aan Molière vergrepen hebben.’

Hij haalt de Frankfurter Allgemeine Zeitung van die ochtend tevoorschijn en leest met zichtbaar genoegen de twee briesende alinea’s voor die de beruchte theatercriticus Gerhard Stadelmaier aan de voorstelling wijdde. ‘Bij Molière gaat het om een hele wereld en niet om de onderlijfproblemen van een sneeuwpop’, schrijft Stadelmaier.

‘Twee alinea’s: een kort bericht, waar hij gewoonlijk halve pagina’s schrijft!’, roept Zaimoglu uit. ‘En zo gaat het de laatste paar jaar steeds. Maar het publiek laat zich niet bedotten: men houdt het voor dom, maar het kan heel goed waarheid en verzinsels van elkaar onderscheiden. Dat publiek vraagt wat authentiek is – en dat is een belangrijke vraag, het is een vraag die mij al mijn hele leven vergezelt. Ik kom uit een gastarbeidersgezin en ben in de ogen van de gevestigde, burgerlijke critici in Duitsland niet schoon genoeg. Wat zij niet onder ogen willen zien, is dat ik allang door het doopvont van de cultuur ben gehaald.’

Elf boeken heeft hij inmiddels op zijn naam staan, romans en verhalenbundels; het twaalfde is bijna voltooid. Voor zijn eerste bundel ontwikkelde hij een eigen taal, de ‘Kanak Sprak’, het koeterwaals van Turkse inwijkelingen in Duitsland en hun kinderen, een pittige taal die vaak dicht bij de taal van rappers ligt. ‘En meteen werd mij gevraagd: spreken die lui echt zo?’, grinnikt Zaimoglu. ‘Natuurlijk niet, ook dat is een kunsttaal. Ik heb de woorden die ik hoorde van kindsbeen af opgevreten, want voor mij is het Duits geen kerkhof: ik heb er een libidineuze verhouding mee.’

De laatste paar jaar wordt Zaimoglu steeds vaker gevraagd voor het theater te schrijven: voor Luk Perceval maakte hij een bewerking van Shakespeare’s Othello, die verleden jaar in Salzburg te zien was, voor het Hebbel-Theater in Berlijn bewerkte hij Romeo & Julia en schreef hij het op gesprekken met gesluierde vrouwen gebaseerde Schwarze Jungfrau. Zijn ster is onmiskenbaar rijzende: wat heeft hij met het theater en wat heeft het theater met hem?

‘Een paar jaar geleden was het Luk Perceval die in mijn romans ineens de dramatische kracht zag en de levendigheid van de dialogen. Hij heeft mij naar het theater gehaald’, zegt Zaimoglu. ‘Ik ben van kindsbeen af verliefd geweest op het theater. Mijn zuster is actrice en vroeger zat ik heimelijk in de artiestenfoyers tersluiks naar de mooie toneelspeelsters te loeren, die vrouwen die zo lekker roken. Nu maak ik er deel vanuit: zo dadelijk wordt mijn haar geknipt door de grimeuse van het gezelschap, is dat niet fantastisch?’

Romeo & Julia verplaatste Zaimoglu in zijn bewerking naar het milieu van Turkse migranten in Berlijn. Het had een fabuleus effect: eerwraak, het motief van het stuk, dat onder Europeanen nauwelijks actualiteit heeft, is een zinderend motief in het Turkse milieu. ‘Romeo & Julia is volksvermaak’, zegt hij, ‘het gaat over opgewonden jongens die niet zouden weten hoe zij het woord ‘eer’ moeten spellen, maar die in hun potentie daar wel werk van maken. Hun families zijn weliswaar rijk, maar niet geliefd: zij worden gedoogd, want het zijn eigenlijk proleten. En voor de monologen in de Schwarze Jungfrau heb ik vrouwen geïnterviewd die weliswaar onderwerp zijn van het publieke debat, maar daar zelf niet aan deelnemen. Die hoef je nauwelijks op te wekken iets te zeggen: je stelt ze één vraag en zij barsten los, in hun eigen taal, vanuit hun eigen parallelle samenleving. Ik was verbluft: dat zijn geen deugdzame lammetjes. De passages over seks met God zijn hun letterlijke woorden. Daar ontmoet de oriëntaalse verhalentraditie de Teutoonse furie.’

Meer over