Zaakwaarnemer kreeg geen genoeg van vervalsen Dalí

De politiemannen hadden hun hele leven niet zoveel kunst bij elkaar gezien. Vrachtwagens moesten ze laten aanrukken om de in beslag genomen werken van Salvador Dalí af te voeren....

Van onze correspondent Cees Zoon

Salvador Dalí zou zijn vingers hebben afgelikt bij het aanschouwen van het tafereel. De extravagante Catalaanse schilder dacht uitsluitend in overtreffende trap: hij was de grootste en de wildste, en zijn werk het uitdagendste, schokkendste en meest weergaloze dat de mensheid ooit onder ogen had gekregen. Dat vele jaren na zijn dood zijn voormalige manager Moore in de kraag gevat werd wegens een kunstzwendel van ongehoorde omvang, zou Dalí hebben doen schateren van het lachen.

De politie hield huis in een villa, het privé-museum Perrot Moore, een galerie en een hotel in Cadaqués, het kustdorpje in het noorden van Catalonië, waar Dalí zijn leven lang woonde en werkte. De vier panden zijn alle eigendom van de Ierse Spanjaard John Moore, in het dorp bekend als el capitano, een overblijsel van zijn jaren bij de marine. De vondst bevestigde nog eens Dalí's reputatie als de meest vervalste kunstenaar uit de geschiedenis.

Bevestigd werd ook de reputatie van Moore als een man die nooit genoeg heeft. Schatrijk werd hij in de vijftien jaar dat hij zaakwaarnemer van Dalí was. Hij heeft een kunstcollectie van jewelste, met een reeks Picasso's en meer dan 300 werken van Dalí.

Dalí leerde kunsthandelaar Moore kennen in Italië, waar deze optrad als bemiddelaar toen de maestro het in zijn hoofd had gehaald een van zijn Madonna's persoonlijk aan de paus te gaan overhandigen. Begin 1960 nam hij hem in de arm als verkoopleider. Dalí stuurde hem een eerste klas ticket voor New York, waar hij tijdelijk resideerde, en legde Moore uit dat hij hem wilde aantrekken als manager en 'militair adviseur'.

'Dalí zei dat elke Zuidamerikaanse bananenrepubliek een militair adviseur had, en omdat hij veel belangrijker was dan die bananenrepublieken, verdiende hij er ook een', vertelde Moore later aan Dalí's biograaf Ian Gibson. Hij kreeg geen salaris, maar tien procent van alle verkopen. Naar eigen zeggen is Moore multimiljonair geworden dank zij het behartigen van Dali's zaken tussen 1960 en 1975, toen hij door Gala, de vrouw van de schilder, aan de kant werd gezet.

Niemand heeft zich meer ingespannen voor het vervalsen van het werk van Dalí dan de schilder zelf, die altijd bang was dat hij aan de grond zou komen te zitten. Moore wees hem de weg. Hij liet Dalí een contract tekenen met een Franse uitgever. Die ontving een origineel waterverfwerkje en de vrijheid dit naar eigen goeddunken te reproduceren. De kopieën werden vervolgens door Dalí gesigneerd en als originelen verkocht. 'Hiermee was de deur opengezet naar bedrog op grote schaal', schrijft Ian Gibson.

Rond 1965 gingen ze een stap verder en begon Dalí blanco lithovellen te signeren tegen een vergoeding van tien dollar per handtekening. Aangezien hij in staat was zo'n duizend vellen per uur te signeren, kon hij een fenomenaal bedrag verdienen door eenvoudig zijn naam op een stuk papier te zetten. Bovendien, vertelde een personeelslid aan Gibson, deed Dalí niets liever dan zijn eigen handtekening zetten.

Met die praktijk is hij nooit gestopt, met als gevolg dat de wereld is vergeven van de valse Dalí's. In 1974 hield de Franse douane een bestelwagentje aan met veertigduizend door Dalí gesigneerde blanco vellen. Een paar maanden geleden nog veroordeelde een rechtbank in Valence zes uitgevers wegens het vervalsen van litho's van Dalí.

Moore zelf schatte ooit dat zijn opdrachtgever in de loop der jaren zeker 300 duizend blanco vellen heeft getekend. Bovendien beweren kwade tongen dat Catherine, de Zwitserse vrouw van Moore, valse Dalí's nog overtuigender signeerde dan de meester zelf. De voormalige militair adviseur van de schilder wordt er van verdacht een deel van de blanco voorraad te hebben achtergehouden en die nu bij de drukker marktklaar te hebben laten maken.

Meer over