ColumnSylvia Witteman

Yvonne Kroonenberg was feministisch maar ook grappig, een indertijd zeldzame combinatie

null Beeld

Als ik op straat zo’n mini-bibliotheekje tegenkom, ga ik altijd even kijken. Gisteren trof ik een Spaanse vertaling van een van Tolkiens minder machtige eposjes (Los hijos de Húrin), Wie brengt het geluk van Anke de Graaf en een zakagenda uit 1974, goud op snee, met de indertijd onvermijdelijke afdeling ‘titulatuur’; daar kon ik nog eens nalezen dat men de koning(in) aanspreekt met ‘Majesteit’, de rest van de oranjekliek met ‘Koninklijke hoogheid’ en Pieter van Vollenhoven, wegens gebrek aan koninklijk bloed, met ‘professor’, wat trouwens nog heel wat is, voor de zoon van een dekzeilfabrikant.

Ik wilde net in Anke de Graaf gaan bladeren toen er, van achter haar grijs linnen ruggetje, een bundeltje van Yvonne Kroonenberg tevoorschijn tuimelde. Alle mannen willen maar één ding. Ha! Daar zoefde ik al terug naar de jaren tachtig, toen alleen de vogels nog van Oost- naar West-Berlijn vlogen (Klein Orkest) en de televisie nog het grootste deel van de dag testbeeld uitzond.

Ik was indertijd rond de 20 en dol op Yvonne Kroonenberg. Dól. Haar stukjes gingen over alle bijverschijnselen van de liefde tussen man en vrouw. Ze was weliswaar feministisch maar ook grappig, een indertijd zeldzame combinatie. Kroonenberg was dan ook ontzettend populair; ze kan waarschijnlijk nog steeds leven van de honderden herdrukken.

Nieuwsgierig sloeg ik het boekje open. ‘Ik heb het allemaal net misgelopen. Toen de eerste Dolle Mina’s actie voerden door mannen in hun billen te knijpen en ze na te fluiten, was ik de ramen aan het lappen in een droeve straat in Den Haag en tegen de tijd dat ik aan de spinnewebben in mijn eigen hoofd was toegekomen, was het vrolijke feminisme van weleer veranderd in een clubhuis vol grimmige akela’s.’

Raak!

En, even verderop: ‘Ik lees graag pornografie. Tegenstanders van het genre komen altijd met dezelfde onwaarachtige argumenten aan. Ze beweren dat pornografie (…) een verkeerd beeld geeft van seksualiteit.’ Maar: ‘Fantasieën zijn nooit subtiel. Als je droomt over rijkdom, fantaseer je ook niet dat je 50 mille hebt.’

Weer raak!

Ook beschrijft ze bepaalde mannentypes, zoals bijvoorbeeld wat ze noemt (ik begrijp niet waarom, en ik vind die benaming ook wat ergerlijk) de Gevulde Koek. ‘Gevulde Koeken zijn makkelijk te herkennen. Ze lopen meestal met hun benen iets te wijd uit elkaar, ze roken uitsluitend zware shag, drinken colaatjes, pils of jenever, en pissen bij voorkeur op straat. Ze praten te luid, kunnen niet verliefd worden, maar ze zijn altijd geil. Huilen doen ze maar één keer in hun leven: als hun vader sterft. De Gevulde Koek is bang voor vrouwen. Vooral geëmancipeerde vrouwen vindt hij griezelig. ‘Ze moesten die wijven eens een flinke beurt geven!’, roept hij, terwijl hij de middelen daartoe voelt slinken.’

Goed, tegenwoordig zie je niemand meer zware shag roken of jenever drinken, maar verder doet dit type toch wel denken aan wat tegenwoordig een ‘fuckboy’ heet.

Over lastiggevallen worden op straat schreef Kroonenberg: ‘Na een tijdje hoor je het gefluit en gesis niet meer, al is het iedere eerste bloezen-dag weer even schrikken.’

Bloezen-dag! Pas tien jaar later zou Martin Bril voor het eerst met zijn ‘rokjesdag’ op de proppen komen. Maar zeker niet voor het laatst. Het jaarlijkse lentegeneuzel over blote benen (‘Kippenvel hoort erbij. Prachtig gezicht.’) hield hij vol tot zijn dood. ‘Rokjesdag doet mij meer dan internationale vrouwendag, als ik zo oneerbiedig mag zijn. Het is een feestdag, wanneer hij ook valt.’

Was Bril een seksistische, narcistische poseur? Een gemakzuchtige ‘one trick pony’, een omhooggevallen copywriter? Of eigenlijk gewoon óók maar een Gevulde Koek?

Meer over