Wreedheid en ontucht in een vergeten koninkrijk Gods

'IN NEDERLAND is het koninkrijk Munster een vergeten episode uit de vaderlandse geschiedenis.' Met die prikkelende stelling wil Luc Panhuysen ons duidelijk maken waarom hij een boek heeft geschreven over het mislukte oproer van de wederdopers in Munster in het jaar 1534....

Ten tweede lijkt ze mij in deze bijzondere vorm onjuist. Toen ik bij Panhuysen las van Jan Beukelsz. en Bernd Knipperdollinck, de leiders van de Munsterse heilstaat, waren het voor mij oude bekenden. Hun namen had ik al gehoord op de lagere school. Dat zal nu wel nergens meer gebeuren, maar dat is dan niet omdat Knipperdollinck en Jan Beukelsz. van Leiden vergeten zijn. Het is omdat onze hele vaderlandse geschiedenis uit vergeten episoden bestaat.

Dat is de derde reden waarom zo'n zinnetje vragen oproept. De onbekendheid met het Nederlandse verleden loopt van de Bataven tot voorbij de Duitse bezetting, en ze zal weldra het kabinet-Den Uyl bereiken. Wat kan iemand dan bewegen uit deze eindeloze zee van vergeten feiten juist de doperse revolutie op te diepen, en haar een voorkeursbehandeling te geven met een boek van ruim vierhonderd bladzijden?

De dopers namen al in de zestiende eeuw een aparte plaats in. Het was de eeuw van de reformatie, de breuk tussen oud en nieuw geloof, de kerk van Rome tegenover Luther en Calvijn.

Een tijd van ingrijpende diepgaande verandering roept altijd extremisme op. Soms winnen de radicalen, zoals de bolsjewiki in Rusland. Soms houden ze slechts een aantal jaren de overhand, zoals Cromwells puriteinen. Soms verliezen ze, zoals de wederdopers in de zestiende eeuw. Anderhalf jaar lang hebben ze in Munster de macht in handen gehouden, onverdraagzaam en onverbiddelijk, om het koninkrijk Gods werkelijkheid te doen worden. Al die tijd werd de stad belegerd door haar verdreven bisschop, en ten slotte werd hun opstand bloedig onderdrukt.

Het koninkrijk van Munster heeft zijn plaats in de Nederlandse geschiedenis, omdat juist de grote toeloop van Hollanders en Friezen de dopers de kans gaf de reformatie in hun richting te sturen, en zich meester te maken van de stad. De eerste leider was Jan Matthijsz., een voormalige bakker uit Haarlem. Hij gaf dadelijk bevel allen die niet tot zijn sekte wilden toetreden uit hun huizen te halen en buiten de poort te zetten. Ze mochten niets meenemen dan de kleren die ze droegen. Wie verkoos te blijven moest zich zonder uitstel laten dopen.

Drie dagen lang stonden de nieuwe bekeerlingen op het marktplein in de rij om de doop te ondergaan. Privé-eigendom werd afgeschaft. Ieder moest zijn geld en kostbaarheden inleveren. Alle boeken en papieren werden verbrand als nutteloze en gevaarlijke lectuur; slechts bijbels en gezangboeken waren toegestaan.

Er was haast bij de ontzondiging van Munster, want de stad moest klaar zijn om Christus te ontvangen. Op de paasdag van 1534 zou hij uit de hemel op de aarde neerdalen. Jan Matthijsz. reed op de paasmorgen triomfantelijk de stadspoort uit om de vijanden te verjagen. Hij had slechts weinig ruiters bij zich, want hij zou op deze dag onkwetsbaar zijn. Binnen enkele minuten was hij met zijn hele gevolg afgeslacht.

Al was dan Christus' wederkomst uitgebleven, de dopers verloren de moed niet. De Leidenaar Jan Beukelsz. nam de heerschappij over en regeerde met harde hand. Doodvonnissen werden met grote regelmaat voltrokken. Jan Beukelsz.' naam is tevens verbonden met de invoering van de polygamie, overigens meer een praktische dan een principiële maatregel, want vrouwen overtroffen de mannen ver in aantal, in een verhouding van vijf tegen twee. Vrouwen die weigerden zich naar de nieuwe regel te schikken werden onthoofd.

Zo handhaafde Jan orde en rust, maar hij keek tevens verder dan Munster. Hij liet zich zalven tot koning over de gehele aarde. Gezanten werden uitgezonden om de dopers van overal bijeen te zamelen en de belegeraars te verjagen. Op enkele plaatsen in de Nederlanden gingen de wederdopers tot gewapende actie over. Vooral in Friesland en in Amsterdam waren ze talrijk, maar succes hadden ze nergens. In juni 1535 kwam het onvermijdelijke einde. Het strijdbare doperdom stierf met zijn leiders uit. Voortaan zou de doperse richting zich juist kenmerken door geweldloosheid.

Panhuysen vertelt het verhaal rustig en nuchter, zonder persoonlijke stellingname. Hij wil de gebeurtenissen beschrijven 'op een manier die niet gekleurd wordt door anachronistische verontwaardiging'. Dat is zijn motief om juist deze geschiedenis te kiezen, en hij is in zijn opzet ook geslaagd. Zelfs de korte samenvatting hierboven kan de moderne lezer gemakkelijk vervullen met afschuw en walging, als hij zich tot oordelen geroepen voelt. Maar Panhuysen houdt afstand en voegt nergens een eigen opinie toe. Zijn boek blijft aldus inderdaad vrij van anachronismen.

Als er een element in ontbreekt, is het niet de mogelijke hedendaagse, maar juist de zestiende-eeuwse verontwaardiging. Mannen als Jan Beukelsz. en Bernd Knipperdollinck zouden tegenwoordig schuldig gerekend worden aan misdaden tegen de menselijkheid. De zestiende-eeuwer was daar niet totaal ongevoelig voor, maar de weerzin die deze twee bij hem wekten, rustte ook op andere gronden.

Deze mensen hadden het heilige ontwijd en stonden schuldig tegenover God. Zij hadden de Bijbel misbruikt, Gods eigen geopenbaarde Woord, om hun hebzucht en onkuisheid te rechtvaardigen. Zij hadden met hun massadoop het sacrament tot een bespotting gemaakt. In Munster was het christelijk geloof verzinnelijkt en bezoedeld. Of kerken nu protestant waren of katholiek, ze wilden de mens met God verzoenen in eerbiedige omgang met de Allerhoogste. De wederdopers riepen wel op tot bekering, maar gaven zich over aan wat elke andere christen als zonde zag.

Het koninkrijk Munster is vele jaren geleden uitvoerig beschreven door W.J. Kühler in zijn Geschiedenis der Nederlandsche Doopsgezinden. In zijn boek klinkt wel iets van deze afschuw door. Misschien is dat toch niet alleen omdat Kühler 'rabiaat vijandig' stond tegenover de wederdopers, zoals Panhuysen zegt. Het is ook omdat Kühler zich sterker met de zestiende-eeuwers heeft geïdentificeerd.

Voor hem was het doperse christendom actueel, en daarom wilde hij er ook over schrijven. De doperse erfenis had waarde voor deze tijd, mits gezuiverd van Munsterse smetten. Panhuysen voelt een dergelijke betrokkenheid niet. Hij heeft geen boodschap over te brengen en doet verslag van de gebeurtenissen als een onafhankelijk correspondent die toevallig naar Munster gestuurd is en zelf geen partij kiest.

Dat is een onmiskenbare verdienste en ze maakt de Munsterse woelingen toegankelijk voor mensen van deze tijd, die niet in staat zijn iets te registreren als je hun meedeelt dat de doop een sacrament is. Sacramenten zijn zichtbare waartekenen van een onzichtbare zaak. Wie een boek over wederdopers heeft gelezen, zou eigenlijk moeten kunnen uitleggen wat zo'n zinnetje betekent. Maar wie op dat punt liever niet geëxamineerd wil worden, kan dit boek lezen als een goede zakelijke reportage, die hem betrouwbare feitelijke informatie geeft.

Meer over