Woyzeck bijna surrealistische parade

Woyzeck van Georg Büchner. Door: De Tijd. Regie: Lucas Vandervost. Stadsschouwburg Utrecht, 28 april. Tournee...

Voor de tweede keer in een paar maanden is Georg Buühners toneelstuk Woyzeck te zien in een productie voor de grote zaal. Eerst de versie van Peter de Baan bij het RO Theater, nu die van Lucas Vandervost, artistiek leider van het Vlaamse gezelschap De Tijd. Opvallend is dat beide voorstellingen gedomineerd worden door een monumentaal toneelbeeld dat de acteurs reduceert tot kleine poppetjes.

Büchner volgt zijn hoofdfiguur, de arme soldaat Woyzeck, op een rusteloze dwaaltocht langs veel locaties in en buiten een grote stad. Korte, fragmentarische scènes spelen zich op al die plekken af: Woyzeck is overal maar even.

In tegenstelling tot de andere personages is Woyzeck nergens thuis. Zelfs niet in zijn eigen woning waar zijn geliefde Marie hem ziet komen en gaan. Maar in de beide recente ensceneringen is er geen sprake van wisselende locaties. We zien één decor, een ongedefinieerde ruimte, waarin alle personages een verloren indruk maken.

Beide regisseurs maken het klassenverschil waar Woyzeck slachtoffer van wordt, ondergeschikt aan een meer tijdloze verwarring waar alle personages last van hebben. Peter de Baan schetste die verwarring met felle kleuren en loeiharde muziek.

Lucas Vandervost is in zijn regie veel ingetogener. Op het toneel trekt een reeks miniaturen voorbij. Zijn Woyzeck is een verstilde, bijna surrealistische parade, geschilderd in zachte kleuren en met schaars, gelig licht.

Zelfs de kermisscènes zijn niet luidruchtig. De aangeklede aap die hier optreedt staat stilletjes rechtop. Het denkende paard is een onheilspellend kartonnen skelet.

'Zeg eens aan de mensen hoe laat het is', vraagt de kermisklant, maar hij verwacht van dit kartonnen dier geen antwoord.

Het klinkt als een waarschuwing aan het publiek, dat de kermisklant ernstig aankijkt.

De Baan gebruikte een gemoderniseerde versie van de tekst, die het rafelige stuk gladstreek. Vandervost doet met de taal precies het tegenovergestelde.

De nieuwe, Vlaamse vertaling die Filip Vanluchene maakte, blijft dicht bij het dichterlijke, vroeg negentiende-eeuwse taalgebruik van Buèhner. Doorspekt met volkse uitdrukkingen en typisch Vlaamse verkleinwoordjes. 'En gij zijt zo stil, kleine', zegt Marie tegen haar kind. 'Hebt ge schrik? Het wordt zo donker, precies of we zijn blind geworden.'

Deze bloemrijke taal krijgt bij Vandervost alle ruimte. Ondanks de vele wisselende taferelen heeft de voorstelling een traag tempo. Niemand rent, niemand schreeuwt.

Die gelijkmatigheid is intrigerend. De tekst wordt uiteengerafeld, transparant gemaakt en tot in de kleinste details getoond, vergelijkbaar met de manier waarop in Nederland alleen Discordia dat kan. Glashelder zie je hoe Büchner in de chaos aan taferelen thema's laat terugkomen.

Maar diezelfde gelijkmatigheid maakt het op den duur moeilijk om de aandacht erbij te houden. De Woyzeck van Jobst Schnibbe spreekt bovendien niet tot de verbeelding.

Hij is mij te somber en te kleurloos. Büchners grillige, gejaagde figuur is hier alleen nog maar een zwaarmoedige tobber, en daar ben je snel op uitgekeken.

Marijn van der Jagt

Meer over