Boeken

Wouter Godijn doet alsof hij een dystopie schrijft en speelt met wat ‘woke’ is ★★★★☆

null Beeld Martyn F. Overweel
Beeld Martyn F. Overweel

De nieuwe roman van Wouter Godijn lijkt een dystopie, zo eentje waar er al zo veel van zijn. Maar in de loop van Karina of de ondergang van Nederland blijkt het boek heel iets anders. De schrijver speelt met ‘woke’-thema’s en conventies. En het wérkt.

En ja hoor, weer zo’n dystopische roman waarin het water tegen de dijken klotst, extreem-rechts aan de macht is en de goedbedoelende witte man aan het kortste eind trekt. Zitten we daarop te wachten? Er zijn er al zo veel van en bovendien hoef je maar door de krant te bladeren om te weten dat de dystopie allang begonnen is.

Karina of de ondergang van Nederland is de nieuwe roman van schrijver en dichter Wouter Godijn (1955). Bij het grote publiek is Godijn niet heel bekend, terwijl hij inmiddels toch een behoorlijk oeuvre (zeven romans en negen dichtbundels) heeft geschreven. Een oeuvre in een stijl die je best godijnesk mag noemen: grappig op een ondeugende jongensmanier; de grens aftastend van wat leuk is en wat flauw. Een schalkse schrijver is hij, die zich van alles permitteert (tussentijds commentaar op zijn eigen, literair-technische keuzes, zich direct richten tot de lezer, veel woorden fonetisch schrijven et cetera) maar ook een die ondertussen grote vragen stelt: wat is goed en wat is slecht (De dood van een auteur die een beetje op Wouter Godijn lijkt, 2007), wat is de waarde van literatuur (De kamer waar alle verhalen beginnen, 2019) en, in zijn roman uit 2013, Hoe ik een beroemde Nederlander werd: wat te doen tegen fascisme?

Op die laatstgenoemde roman borduurt Godijn nu losjes voort. Het is 2031 en een naamloze schrijver van middelbare leeftijd staat op de dijk bij de Noordzee. Wat blijkt: eb is iets van vroeger, het water staat nu altijd hoog. Dat is eng, maar nog enger is dat er nauwelijks ophef over is. Het is een teken dat de media reeds onder de knoet zitten van Neerlands nieuwe leider: Groverd Wild (drie keer raden op wie die lijkt).

Als Wild een toespraak geeft over zijn plannen met Nederland (‘Staat de grondwet ons in de weg dan veranderen we die’), krijgt de schrijver van de weeromstuit een soort herseninfarct. In het ziekenhuis kunnen ze niks lichamelijks vinden, maar de schrijver verandert alsnog in een wrak: een moeizaam lopende man die zijn plas niet goed kan ophouden. Strompelend en met een inlegkruisje in de onderbroek door het leven: dat is de status die Godijn de witte man gniffelend toekent. Dan wordt onze schrijver ook nog eens door zijn vrouw (de Karina uit de titel) verlaten en rest hem een treurig leven in een flatje terwijl Nederland ten onder gaat. Tja.

Twee Karina’s

Gelukkig is er een proloog. Een proloog waarin een jonge Karina op een zomerse dag in een afgeknipte spijkerbroek voor de schrijver uit fietst, op de pedalen gaat staan, moeiteloos een steil bruggetje beklimt en zich lachend naar hem omdraait: ‘Gaat het nog, meneer de intellektu-wéél? Of mot u effe worre geduwd…?’ Dan maant ze hem het hoge gras in, waar ze de liefde bedrijven – helemaal Jan Wolkers, er is zelfs een kevertje bij.

Zo worden we warm gemaakt voor wat het hart van het boek blijkt: het verhaal over de liefde tussen de schrijver en Karina. Hun dagen stralen, hun vrijpartijen zinderen, hun praten is gulzig; ‘alsof we –verbaal – in elkaar begonnen te graven, heel druk, zoals een hond met razendsnel bewegende poten een kuil graaft’ (even later heet dat dan ‘dat graafachtige gepraat’ – ook dat is godijnesk). In dit sprookje zijn er twee Karina’s: de Karina van Vroeger, een godin haast, met lange bruine benen, lang blond haar en een bijna bovenaardse kracht. Een vrouw van wie de schrijver, zelf een mager scharminkel, zich afvraagt wat ze in hemelsnaam in hem ziet. En dan is er de Karina van Later: een heks met zwartgeverfd piekhaar, een dikke kont en een verzuurd karakter. Als zij hem verlaat, is hij blij toe.

Blinde vlekken

De vrouw als heilige of als heks, het zijn de oermallen waar vrouwelijke personages vaker wel dan niet ingedrukt worden. Ze zijn er om de mannelijke hoofdpersoon te inspireren of te dienen, te confronteren of te tergen, maar zelden als volwaardig karakter. En Godijn wéét dat, hij speelt ermee, net zoals hij in deze roman met wel meer ‘woke’-thema’s speelt, zoals de overdreven onhandige manier waarop de hoofdpersoon mensen van kleur aanduidt (hij komt uiteindelijk uit op ‘niet-westerse-dingesmensen’) en de eerdergenoemde witte man – de hoofdpersoon zelf – die in het ziekenhuis wel erg content is met zijn lieve verpleegstertjes. Dat doorschemerend bewustzijn maakt Godijns meegeleverde maatschappijkritiek relevanter: je weet dat er iemand aan het woord is die zijn eigen blinde vlekken heeft gezien.

Wat die hele dystopie er nou eigenlijk mee te maken heeft? Niet zo veel. Ja, laat de lezer maar geloven dat de schrijver wil waarschuwen voor populisme of klimaatverandering (‘Welnee!’). In werkelijkheid is hij alleen maar boos, ‘omdat hij Zijn Grote Liefde was kwijtgeraakt’. Romans die geen dystopie maar een liefdesgeschiedenis blijken te zijn; dat zijn de beste.

null Beeld Atlas Contact
Beeld Atlas Contact

Wouter Godijn: Karina of de ondergang van Nederland. Atlas Contact; 304 pagina’s; € 22,99.

Meer over