boeken

Wim Hofman: ‘In onszelf is het meeste verbeelding. Ook liefde en geluk’

Wim Hofman: ‘Ik zoek verbazing. Daar sta ik niet alleen in, Plato zei al dat de basis van filosofie verwondering is.’ Beeld Pauline Niks
Wim Hofman: ‘Ik zoek verbazing. Daar sta ik niet alleen in, Plato zei al dat de basis van filosofie verwondering is.’Beeld Pauline Niks

Dichter, schrijver en tekenaar Wim Hofman is 80, maar dat zou je niet zeggen. De kersverse winnaar van de Zeeuwse Boekenprijs wordt gedreven door een niet te stillen nieuwsgierigheid. Hoe zet hij zijn verwondering om in literatuur?

Mirjam van Hengel

Het eerste wat hij laat zien bij binnenkomst in zijn huis in Vlissingen is een donkere vorm die onder aan de keldertrap op de grond ligt – ‘het lijkt wel een lichaam, hè’. Het blijkt de groeiplaats van witlof te zijn. Onder een dikke zwarte doek staan twee grote blikken met obsceen levenskrachtige witte scheuten, dik en stevig, dicht op elkaar.

Zó licht, maar groeiend in het donker: onmogelijk dat niet op zijn werk te betrekken. Dichter, prozaschrijver en tekenaar Wim Hofman (1941) schrijft vaak duistere verhalen en houdt daarbij niet van een goede afloop, maar zijn toon is altijd monter. ‘Er is geen dag dat ik niet schrijf. Eigenlijk teken ik liever en ik heb ook weleens een leraar gehad die zei dat ik ooit zou moeten kiezen, maar dat heb ik dus nooit gedaan.’

Onlangs kreeg hij de Zeeuwse Boekenprijs voor zijn in 2021 verschenen boek We vertrekken voordat het licht is (Querido; € 20,99), een bundeling van poëtische verhalen vol herinneringen, fantastische scheppingen en natuurhistorische observaties. Tegelijk verscheen ook een bloemlezing uit zijn poëzie, Er is altijd wel iemand, en het Boekenweekgeschenk voor de Week van het Zeeuwse Boek 2021, In de sneeuw geboren – allemaal naar aanleiding van zijn 80ste verjaardag.

Wim Hofman oogt geen 80. Hij is typisch zo iemand wiens onverzadigbare nieuwsgierigheid niet alleen de geest, maar de hele verschijning leeftijdloos houdt. Verwondering beweegt hem en spreekt uit iedere bladzijde van zijn werk, van de surrealistische teksten waarin hij fictieve werelden ontwerpt tot de gedichten en verhalen waarin steeds opnieuw, alsof het gisteren gebeurd is, zijn jeugdherinneringen opspringen. Het opkomende water in 1953, de vlucht met zijn broertje en moeder door Valkenswaard tijdens operatie Market Garden in 1944 – ‘die avond dat mijn moeder zei wees maar bang wim wees maar bang’.

U heeft een heel eigen, compacte thematiek. Weet u van tevoren wanneer iets proza wordt of poëzie?

‘Nee, eigenlijk alleen als ik ergens voor wordt gevraagd en het genre vooraf is bepaald. Maar als ik schrijf wat ik wil, maakt het voor mij geen verschil. Ik begin vanuit beelden. De thuiskomst van mijn vader bijvoorbeeld, na de oorlog. Ik herinner me flarden en dan zit ik al heel snel in de verbeelding, want vanuit het weinige dat ik nog weet ga ik verzinnen.

‘Vervolgens ontstaat de vorm vanuit het schrijven. Waarom zou je een regel afbreken als de zin nog doorloopt? Hoe geef je een woord nadruk? En hoe klinkt het – ik lees wat ik schrijf altijd hardop, ik wil iets muzikaals maken. Ook het onderwerp stuurt: een gedicht over de zee bijvoorbeeld, over die beweging die altijd maar doorgaat, dat moet natuurlijk doorlopen, dat zou je ook moeten kunnen lezen zonder te stoppen om adem te halen.’

We vertrekken voordat het licht is is volgens uzelf een verraderlijke bundel waarin veel realistisch schijnt, maar het niet is. Meestal lijkt het vooral een combinatie te zijn. Het openingsverhaal, over de curator van een natuurhistorisch museum, is een fictief verhaal waarbij de entourage nauwgezette en concrete studie verraadt.

‘Ik ben in zo’n museum geweest in Eton, dat is echt schitterend. Helemaal volgepropt en hoogstens een beetje geordend. Een collectie eieren, van een emoe-ei tot dat van een kolibrietje, een vitrine met schelpjes, opengeklapt en op karton geplakt zodat het net vlinders lijken, heel aandoenlijk – maar daarnaast staat dan rustig de schedel van een krokodil.

‘Of het grote zoölogische museum in Lausanne: geraamten van kikvorsen naast potten met wormen of menselijke embryo’s. Op zichzelf is het al wonderlijk dat dat allemaal bestaat, maar dat mensen zo’n embryootje ophangen aan de navelstreng om te bekijken, dat vind ik nog wonderlijker, daar kan ik me geweldig over verbazen. Ik word ook altijd opgejaagd door gidsen in het museum. Dan sta ik weer iets na te tekenen en zeggen ze me: ‘U hoeft hier toch niet te studeren!’ Ik heb aan één zaal wel genoeg. Ik ben geen wetenschapper, maar ik vind alles er ongelooflijk uitzien. Het bestaat echt, maar als het zo uit z’n verband gerukt is en heel gedetailleerd tentoongesteld, dan wordt het bijna sciencefiction.’

null Beeld Pauline Niks
Beeld Pauline Niks

Dat is haast een omschrijving van uw teksten: het begint met realisme, maar neemt van daaruit een vlucht.

‘Het punt is dat ik graag fantaseer. Voor een wetenschapper ben ik niet precies genoeg, ik ben meer een dromer, maar ik kijk goed. Ik lees bijvoorbeeld over libellen, de werking van die ogen – het is zo enorm wat die allemaal zien, dat kun je niet verzinnen. Je wordt dus ingehaald door de werkelijkheid.

‘Ik heb veel gereisd en dan zie ik bijvoorbeeld in Oman een zeeslang zwemmen waarover ik lees dat één druppeltje van zijn gif wel vijf mensen kan doden. Of een zeekomkommer, waarover iemand me vertelt dat je die niet aan moet raken, omdat dat je huid irriteert. Dat prikkelt mijn fantasie en dan verzin ik een verhaal over hoe mijn vinger oplicht in de nacht, maar de werkelijkheid ligt daar nog heel vlakbij.’

U schrijft ook naar aanleiding van historische gebeurtenissen, de Watersnoodramp of die dag in 1944. Probeert u dan wel de werkelijkheid te pakken te krijgen?

‘Vooral de beelden die in mijn hoofd gebrand zijn. Ik probeer het me zo precies mogelijk te herinneren, maar ben ook altijd bang dat mijn herinneringen niet kloppen. Nu, naar aanleiding van het boekje In de sneeuw geboren, stuurde een lezer me beeldmateriaal uit de archieven van Engelse troepen van operatie Market Garden en schrok ik enorm omdat alles bleek te kloppen. De brandende sigarenfabriek, de kiosk waarin wij schuilden, dat zag ik allemaal terug.’

Waarom schrikt u dan?

‘Ik word terug geslingerd naar die vreselijke dag. We zaten in Valkenswaard, waar mijn moeder vandaan kwam, zij, mijn broertje en ik – mijn vader was tewerkgesteld in Duitsland. Toen daar de gevechten begonnen is ze, nadat ons huis in puin was geschoten, met ons in een hol onder de grond gevlucht en toen de bombardementen steeds dichterbij kwamen, zijn we gaan rennen, langs rook en vuur in het dorp, tot in het centrum, waar we onder de kiosk zijn gedoken.

‘Mijn moeder zei: je moet doorlopen, maar ik wou kijken, de brandende schoorstenen, de oranje vlammen. Dat rennen door het dorp, dat vergeet ik nooit meer. Ik denk er ook aan als ik nu overal de vluchtelingen zie. Wij moesten ook aanhoudend weg, ik ken dat, ik weet hoe het was om opgevangen te worden. Dan kan ik niet nalaten om te schrijven dat ze die vakantiehuizen hier aan de rand van de stad best beschikbaar kunnen stellen voor vluchtelingen.

‘Hetzelfde met de stijging van het water, de klimaatzorgen: dat relateer ik aan 1953, de overstromingen in Zeeland. Ik weet hoe het is als het water door de kamer stroomt, de bomen een rok van mosselen dragen omdat ze in zee hebben gestaan.’

Uw werk is, zeker in deze nieuwe bundel, donker, bijna apocalyptisch.

‘Ik denk dat het bij schrijven zo moet. Het kwaad moet altijd een rol spelen. Er moet dramatiek in, zoals er ook wat taal betreft altijd iets spannends moet gebeuren. Op het omslag van dit boek staat een schilderij van me met een vis en een mes: door het mes wordt de vis spannend. Soms zijn mijn verhalen niet zo donker bedoeld, maar vallen ze zo uit omdat op papier nu eenmaal alles kan. Je kunt alles onderzoeken, ook wat je zelf niet mee wilt maken, je hebt het allemaal in de hand en kunt alles sturen.

‘Ik vergelijk het weleens met muziek maken – als je aan de piano gaat zitten, moet je besluiten: ik ga een D-akkoord spelen, of een A, en dan moet je verder. Zo is het met schrijven ook, alleen kom je bij een verhaal weleens ergens uit waar je het zelf niet meer begrijpt.’

Wim Hofman: ‘Je hebt veel ontevreden mensen in deze tijd, dat vind ik heel jammer. Ze maken zichzelf ontevreden over iets als zo’n mondmaskertje, in plaats van gewoon te denken: nou ja, dat moet. Of: raar, zo’n ding, misschien ook leuk.’ Beeld Pauline Niks
Wim Hofman: ‘Je hebt veel ontevreden mensen in deze tijd, dat vind ik heel jammer. Ze maken zichzelf ontevreden over iets als zo’n mondmaskertje, in plaats van gewoon te denken: nou ja, dat moet. Of: raar, zo’n ding, misschien ook leuk.’Beeld Pauline Niks

Soms stopt u abrupt. Een verhaal dat eindigt met ‘Slot, omdat wij niet weten hoe het verderging.’

‘Dat vind ik leuk. Het is beter dan een happy end of een afgerond verhaal. Daarom vind ik Kurt Schwitters ook heel goed, die begint rustig een verhaal opnieuw, dan ben je halverwege en begint-ie gewoon hetzelfde verhaal weer vanaf het begin. Dat is zeer komisch.’

Schwitters is een van de schrijvers die u regelmatig citeert, naast Alfred Jarry, Francis Ponge, James Joyce. Allemaal excentrieke en speelse auteurs, analytisch maar met surrealistische trekken.

‘Ja, daar hou ik van, en het allermeest van Joyce. Finnegans Wake! Dat is zo schitterend, dat is echt een nieuwe wereld, want in een nieuwe taal geschreven, en je krijgt het nóóit uit. Ik heb eens een lijst aangelegd van de Nederlandse woorden die erin voorkomen, maar hetzelfde kun je doen met Franse of Latijnse woorden en hij heeft alles door elkaar geklutst, waardoor hij onbegrensd dingen oproept. De ene keer verzand je in wetenschappelijke taal, de andere keer bijna in Kerklatijn. Haast niemand leest dat boek, maar ik heb het altijd meegesjouwd en gelezen. Dat boek is een cirkel, je komt steeds terug. En het loopt trouwens ook niet af. Fantastisch.’

Dat oproepen of creëren van nieuwe werelden doet u zelf ook graag. Wat is daar zo aantrekkelijk aan?

‘Nou ja, het is natuurlijk verzinnen, het plezier van dingen verzinnen. Maar het heeft ook weer met taal te maken. In een verhaal als ‘Voorspellingen’ wil ik dat de sfeer merkwaardig wordt en ga ik spelen met woorden in hoofdletters, als in een liturgische tekst, en laat ik de ik-figuur overal tekens in zien. Die hij overigens vaak dan weer niet kan lezen.’

Hij is de hele tijd op zoek.

‘Ik denk dat de meeste mensen zoeken, dat is ook het boeiende van het leven, dat je dingen wilt begrijpen en je weet dat dat nooit goed kan, dus je blijft zoeken. Bij mij is het misschien vooral zo dat ik me verbaas over dingen. Ik zoek verbazing. Daar sta ik niet alleen in, Plato zei al dat de basis van filosofie verwondering is, Aristoteles zei ook zoiets, wat zei die ook alweer? Verwondering is het begin van wijsheid. Hij gaat de wetenschappelijke kant uit en Plato zocht de verbeelding. Ik neig naar de richting van Plato, want er bestaat niets echts, hè. Buiten ons misschien wel, in de werkelijkheid die je kunt proberen te beschrijven, maar in onszelf is het meeste verbeelding. Dat leerde ik al tijdens mijn noviciaat, in de oefeningen van Ignatius, die zei: als je je iets verbeeldt, dan bestaat het echt.’

Dat schrijft u ook ergens.

‘Ja? O, dan heb ik het goed geleerd. Mensen hebben het bijvoorbeeld over liefde, maar dat is natuurlijk allemaal verbeelding, illusie, iets dat je zelf creëert. Onze hersens en onze zintuigen zijn beperkt, dus wat wij denken is ook beperkt. Het is heel relatief, wat je hersens maken van wat je waarneemt. Dáárom ben ik geïnteresseerd in de ogen van een libelle: die ziet heel andere dingen dan wij.’

U beschrijft in uw gedicht ‘De verschijning’ hoe het geluk onverwachts op bezoek komt en weer wegzweeft: ‘Nee, we hadden niets gemeen,/ vooral zonder geluk valt te leven.// En dan die vleugels,/ echt overdreven.’

‘Dat is ook zo’n term, geluk. Dat praat je jezelf aan, dat is ook een soort illusie. Een vluchtig gevoel dat afhankelijk is van wat je hebt gegeten of gedronken, de temperatuur, wie je ontmoet enzovoort. Veel mensen zijn op zoek naar geluk en voelen zich ontevreden, want ze vinden het nooit. Tevreden zijn is beter, ook tevreden met ontevredenheid.

‘Je hebt veel ontevreden mensen in deze tijd, dat vind ik heel jammer. Ze maken zichzelf ontevreden over iets als zo’n mondmaskertje, in plaats van gewoon te denken: nou ja, dat moet. Of: raar, zo’n ding, misschien ook leuk. Je kunt altijd ontevreden zijn en dat gevoel aanzwengelen en verhevigen, dan ben je dus nooit gelukkig. Je kunt beter zorgen dat je een soort gelijkmoedigheid bereikt.’

Wie is Wim Hofman?

Wim Hofman (Oostkapelle, 2 februari 1941) begon – na een opleiding tot priester omdat hij missionaris wilde worden – in 1969 als kinderboekenschrijver. Veel van zijn werk werd bekroond: met Gouden Penselen (de eerste voor Koning Wikkepokluk de merkwaardige zoekt een rijk), Zilveren en Gouden Griffels (voor Het vlot en Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen) en verder met alle andere grote jeugdboekenprijzen die er zijn, tot aan de Theo Thijssenprijs voor zijn gehele oeuvre, in 1991. Onlangs werd hij onderscheiden met de Zeeuwse Boekenprijs voor We vertrekken voordat het licht is. Hofman is getrouwd en woont in Vlissingen.

null Beeld Rainbow
Beeld Rainbow
null Beeld de Drukkery
Beeld de Drukkery

Wim Hofman: Er is altijd wel iemand. Rainbow; 176 pagina’s; € 17,50.

Wim Hofman: In de sneeuw geboren. de Drukkery; 96 pagina’s; € 19,99.

Meer over