Boekrecensie

Wim Hazeu laat zien hoe de schilder Lussanet het grote publiek veroverde ★★★★☆

Wim Hazeu schreef een mooi portret van schilder Lussanet bij een expositie van zijn kunst in Laren. Over zijn leven komen we niet bijster veel te weten. Des te beter volgen we zijn werk.

Aleid Truijens
Kunstenaar Paul de Lussanet aan het werk.  Beeld Dik Nicolai
Kunstenaar Paul de Lussanet aan het werk.Beeld Dik Nicolai

Zijn naam geurt naar de jaren zestig van de vorige eeuw, al klinkt hij verre van hip: Paul de Lussanet de la Sablonière. Merknaam: Lussanet, altijd gevolgd door de onvermijdelijke typering ‘bohemienschilder’. Erg bohemien zag hij er niet uit, de keurige jongen uit het Gooi, die zo een accountant had kunnen zijn. Dat zagen zijn ouders hem ook het liefst worden, maar na twee jaar studie economie koos hij voor zijn hartstocht: schilderen.

Hij was een kunstenaar die al jong succes had en meedeinde op de golven van zijn tijd, blijkt uit de monografie die Wim Hazeu over hem schreef. Lussanet wilde er uit alle macht bij horen, bij de mooie, talentvolle mensen die ertoe deden. Bij de juiste galeries, de juiste vrienden. Daarin slaagde hij glansrijk. Zijn werk, figuratief maar niet realistisch, kleurrijk en sensueel, vrouwelijk naakt meestal, viel in de smaak bij een groot publiek.

Geen biografie

Lussanet, 81 nu, schildert nog steeds. Hij woont en werkt weer in Laren, het dorp van zijn jeugd. In Museum Singer in Laren is tot eind augustus een expositie te zien van zijn werk, die wordt begeleid door de monografie van Wim Hazeu: Lussanet – Verf in het bloed. Hazeu schreef eerder kunstenaarsbiografieën, over Lucebert, Marten Toonder en M.C. Escher. Dit boek is geen biografie. De nadruk ligt op het werk, niet op het leven. Hazeu baseert zich op schriftelijke bronnen en gesprekken met Lussanet zelf, maar sprak weinig mensen die hem van buitenaf typeren. Soms is dat bijna komisch: ineens blijkt Lussanet getrouwd met ene Geesje, over wie we niets te weten komen, het volgende moment ligt hij ‘in een vechtscheiding’ met haar. Over zijn moeder horen we dat zij hem trouw steunde, maar we leren haar niet kennen.

Des te beter volgen we zijn werk. Begin jaren zestig trok hij naar Parijs. Daar, in het artistieke centrum van de wereld, moest hij zijn. Hij dompelt zich onder in het stadsleven, bezoekt musea, leert kunstenaars uit de hele wereld kennen en raakt bevriend met de Nederlandse kunstenaars Mark Brusse, Willem van Malsen en Bernard Holtrop. Hij gaat van vernissage naar vernissage, en werkt hard.

Hij brak door in 1965, met twee exposities in Laren en Amsterdam. Met goed gevoel voor publiciteit had hij de juiste mensen erbij betrokken. Zijn expositie in Laren werd geopend door Gerard Kornelis van het Reve, die net wereldberoemd in Amsterdam was geworden met zijn brievenboek Op weg naar het einde. Hij was, net als Lussanet, een van de vaste bezoekers van Jagtlust, de vervallen villa in Laren waar de dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek woonde en legendarische feesten hield. Reve zingt de lof van de figuratieve kunst; voor hem is kunst ‘verbonden met vermaak, lust, kitsch en geilhheid’. De recensent in de plaatselijke krant walgt ervan dat Laren ‘het speelterrein ener Amsterdamse kliek van marihuana-rokers en sexueel-geïnverteerden’ is geworden, en de inleider zou ‘schuttingwoorden’ hebben gebruikt. Bij zo veel burgerlijke afkeuring rees de ster van Lussanet meteen.

De wereld van glamour

De recensie die zijn vriendin Fritzi een half jaar later in Vrij Nederland schreef over de tentoonstelling in de hippe Amsterdamse galerie Krikhaar, deed de rest. Voor de spectaculaire opening – Lussanet had een bekend fotomodel laten komen, Jean Shrimpton – rukte tout Amsterdam uit. Zijn schilderijen waren geïnspireerd door de wereld van de mode, de film en de reclame, maar volgens Harmsen van der Beek dweepte Lussanet niet met de lege glamourwereld, maar stelde hij die aan de kaak. Reclame gaf, zo liet Lussanet volgens haar zien, een ‘geperverteerd’ beeld van de werkelijkheid; die ‘namaakschoonheid’ ontmaskerde hij.

Toch zou Lussanet geassocieerd worden met de wereld van glamour en BN’ers. Dat heeft alles te maken met zijn band met Jan des Bouvrie, die vanaf begin jaren tachtig een vaste afnemer was van zijn werk. Volgens Lussanet kocht Des Bouvrie ‘bijna alles’ en exposeerde en verkocht hij het aan vaste klanten; het combineerde goed met zijn meubelontwerpen. Ook sterrenrestaurant De Hoefslag exposeerde doorlopend zijn werk. Lussanet beseft wel dat zijn keuze voor het grote publiek gevolgen had. Door in zee te gaan met Des Bouvrie en de ‘blingbling’-galerie Krikhaar kreeg hij minder aandacht van de artistieke elite. Daardoor, zegt hij, ‘hang ik nu bij Des Bouvrie en niet in het Stedelijk’.

Het was Krikhaar die Lussanet liet vallen toen hij in de jaren zeventig in zijn ogen minder verkoopbaar werk maakte. Uit teleurstelling vernietigde Lussanet de versmade doeken. Hij werd een tijdje filmmaker en regisseerde de speelfilms Lieve jongens en Mysteries. Het bleek toch niet zijn vak; hij miste het autonome werken en keerde terug naar het schilderen.

Lussanet – Verf in het bloed, met veel illustraties van de schilderijen, geeft een mooi tijdsbeeld en portretteert een schilder die tegelijk gevierd en miskend is, alom aanwezig en vergeten.

null Beeld De Bezige Bij
Beeld De Bezige Bij

Wim Hazeu: Lussanet – Verf in het bloed. De Bezige Bij; 254 pagina’s; € 24,99.