tv-recensieJulien Althuisius

Wijnaldum maakte glashelder: de discussies rondom racisme en Qatar hebben niets met elkaar te maken

null Beeld

Dinsdag was het persconferentiedag. Eerst die van het Nederlands elftal, waarbij het veel over het aanstaande WK in Qatar ging – en de 6.500 arbeidsmigranten die zijn omgekomen bij bouwprojecten rondom het wereldkampioenschap. Namens ESPN vroeg verslaggever Pascal Kamperman aan Georginio Wijnaldum of hij, als speler en aanvoerder, tijdens het WK iets concreets kon doen als statement. Kamperman maakte daarbij de vergelijking met het antiracismestatement dat Wijnaldum en de spelers van het Nederlands elftal vorig jaar maakten, waarbij ze zeiden van het veld te zullen stappen als er een speler racistisch bejegend zou worden.

Je kon deze vraag van Kamperman op twee manieren interpreteren. Als een oprechte: bij onrecht X deden jullie dit, hebben jullie concrete plannen over wat jullie gaan doen aan onrecht Y? Of als een slinkse manier om Wijnaldum cum suis van hypocrisie te beschuldigen. Als je wel in Qatar gaat voetballen, dan mag je ook niets meer zeggen over racisme. Want moraliteit is binair en al het onrecht is hetzelfde en als je het ene onrecht aankaart, moet je ook het andere aankaarten, zoiets.

Wijnaldum reageerde in eerste instantie gelaten, maar kwam er aan het eind van de persconferentie op terug. ‘Eigenlijk zeg je dat als iemand racistisch is, je dan niet voor jezelf op mag komen. Want je gaat wel voetballen in Qatar. Dat is heel fout.’

Of het nu onhandig of bewust lullig was van Kamperman, de reactie van Wijnaldum maakte glashelder: de discussies rondom racisme en Qatar hebben niets met elkaar te maken. Daarmee niet gezegd dat voetballers en coaches wat Qatar betreft niet nog steeds te makkelijk verantwoordelijkheid ontduiken, zoals bondscoach Frank de Boer, die tegen de NOS zei dat hij het makkelijk vindt om de druk op het Nederlands elftal te leggen en dat het ‘een politiek gebeuren’ is.

Die andere persconferentie, over de corona-aanpak, verliep minder knetterend. ‘Je hoort vaak’, begon Mark Rutte, ‘de mooiste tijd van het leven is altijd nu.’ Dat hoor je nooit, maar dat maakt verder niet uit, een openingszin is een openingszin. Plichtmatig vertelde Rutte alles wat we toch al wisten. Dat het aantal nieuwe besmettingen stijgt, we kunnen fluiten naar versoepelingen, maar dat we ’s avonds wel een uurtje langer naar buiten mogen.

De persconferentie van dinsdag. Beeld NOS
De persconferentie van dinsdag.Beeld NOS

Ik wil alleen niet een uurtje langer naar buiten, ik wil militairen die vaccinaties zetten. Bijna was ik ingedut, maar toen vertelde Rutte hoe slecht we ons nog aan de meest basale maatregelen houden. De helft van de mensen met klachten blijft niet thuis en laat zich niet testen. En: ‘Minder dan de helft zegt nog vaak zijn handen te wassen.’

Wie zijn die mensen? Kan er niet een televisieprogramma over hen gemaakt worden, waarin ze onder valse voorwendselen naar een studio gelokt worden en daar hoofdschuddend en zuchtend worden ontvangen door mensen die zitten te wachten tot Nederland weer open kan? Een soort volksgericht, maar dan extreem gezellig, met André van Duin en Frits Sissing. Gewoon, om de sfeer er een beetje in te houden. De mooiste tijd van het leven is tenslotte altijd nu.

Meer over