'Wij waren vergeten dat we joden waren'

Kort voor Irène Némirovsky (1903) op 13 juli 1942 door de Franse gendarmerie werd opgepakt en een paar dagen later met 'transport nummer 6' vertrok naar het vernietigingskamp Auschwitz, had de gevierde schrijfster het met haar kinderen nog over haar boeken....

Némirovsky werd vermoedelijk in augustus 1942 in Birkenau omgebracht.Tot in de herfst van 2004, toen ze voor haar onvoltooide en teruggevondenmeesterwerk Suite française postuum de Renaudot-literatuurprijs kreeg,bleef ze een onbekende en vergeten schrijfster uit de vooroorlogse jarenen las niemand nog haar boeken, zoals ze in 1942 had voorspeld.

Nochtans was Némirovsky, dochter van een Russische bankier, eengerenommeerde femme de lettres die in Parijs omging met schrijvers endichters, Jean Cocteau, Paul Morand, Joseph Kessel, Emmanuel Berl, maar ookmet de extreem-rechtse monarchist en antisemiet Robert Brasillach. Ze was'de Françoise Sagan van haar tijd', gerespecteerd en bejubeld jong talent,zeker na het grote succes van haar roman David Golder, een afrekening methaar joodse milieu van bankiers.

Haar boeken werden verfilmd of bewerkt voor theater; ze publiceerdefeuilletons in succesrijke bladen als Gringoire en Candide; zefrequenteerde literaire en mondaine Parijse salons. Némirovsky was, zoalsColette, een van de weinige schrijfsters die in die tijd in Frankrijk vanhun pen konden leven. Haar boeken waren bestsellers, ze werden ookvertaald. David Golder verscheen in vertaling bij De Arbeiderspers. Tochwerd ze, na haar dood, door iedereen uitgespuwd: door joden omwille vanhaar vermeende antisemitisme, door anderen omdat ze een joodse immigranteuit Kiev was, een schrijfster op de zwarte lijst van verboden boeken.

De kinderen van Némirovsky overleefden de oorlog, hun vader MichelEpstein werd in november 1942 in Auschwitz vermoord. Al die tijd zaten zeondergedoken. Haar dochter Denise Epstein koesterde na de oorlog jarenlang'het grote schrift' met haar aantekeningen, en bewaarde het manuscript vanSuite française 'als een relikwie' bij haar thuis. Élisabeth Gille, haarjongste intussen overleden dochter, schreef Le mirador (In Nederlandsevertaling: Irène Némirovsky, een vrouw), 'gedroomde herinneringen' aanhaar moeder, een aangrijpende 'fictionele' biografie die nu is herdrukt.

Dit jaar alleen al werden vijf van haar boeken bij de Franse uitgeversGrasset en Albin Michel heruitgegeven en bij Denoël verscheen voor heteerst in boekvorm haar vervolgverhaal Le maître des âmes. OlivierPhilipponnat en Patrick Lienhardt werken in opdracht van Grasset en Denoëlaan een grote biografie die in 2007 zou moeten verschijnen.

'We weten weinig over haar Russische kindertijd en haar Parijsejeugdjaren', zegt Jonathan Weiss in zijn boek Irène Némirovsky -biographie, de eerste biografie van de schrijfster die hij, lang voor hetsucces van haar oorlogsrelaas in Suite française, aanvankelijk tevergeefsaan Franse uitgevers had aangeboden. 'Over de laatste momenten van haarleven tasten we zelfs volledig in het duister.' Weiss, professor literatuuraan het Amerikaanse Colby College, ging op eigen houtje - 'als liefhebberijen uit piëteit' - op zoek naar haar 'vergeten leven'.

Juist omdat er zo weinig over haar kinderjaren en jeugd bekend is,behalve dat ze letteren studeerde aan de Parijse Sorbonne en al sinds haarvijftiende een carnet bijhield, speurde Weiss in archieven van kranten,weekbladen en literaire tijdschriften, en probeerde hij de schrijfster teportretteren aan de hand van haar 'zoektocht naar een identiteit'. Nu haarboeken weer voorhanden zijn - uit veel bibliotheekcollecties, ook inAmsterdam, werden ze tijdens de oorlog 'verwijderd' - kunnen we ons eenbeeld vormen van Némirovsky's schrijverschap maar ook van haar Werdegang.

Ze wilde een Franse schrijfster zijn, al sprak en schreef ze ook veelandere talen. Al vroeg nam ze afstand van haar joodse afkomst, rekende ookaf met haar burgerlijke milieu, wendde zich na haar huwelijk tot hetchristendom; toch schreef ze voortdurend over de joodse en Russische ziel,over de onvermijdelijkheid van die afkomst.

Ze typeerde haar personages bijzonder goed, hun uiterlijk en hunvoorkomen, zodanig zelfs dat het leek 'alsof ze de tongval had van haarbeulen en haar pen in de inkt roerde van antisemieten'. Het werd haarkwalijk genomen, maar in de oren van al die latente Franse jodenhaters encollaborateurs - ja, ook haar uitgevers Bernard Grasset of de later doorhet verzet vermoorde Robert Denoël - klonk haar proza vooral meegaand,meezeulend, precies wat lezers in die jaren twintig en dertig wilden horen.Als ze een Frans schrijfster wilde worden, begreep ze al heel snel, danschreef je geen 'joods proza' en was je geen uitgesproken joods meisje. Inal haar eerste verhalen en boeken, in L'Enfant génial of David Golder,herken je dat streven naar het moedwillig uitwissen van haar joodseidentiteit.

Voor ze begon te schrijven aan een novelle, feuilleton of roman maakteze van ieder personage een profiel. Een joodse bankier was een joodsebankier, een zakenman een zakenman, elk romanpersonage gaf ze stereotypekenmerken, ze kregen in haar aantekeningen een uiterlijk en een biografie.Soms waren het verzonnen typetjes, dan weer waren ze gemodelleerd naar haarherinneringen aan haar gouvernante of aan haar spilzieke moeder Fanny, diezich nooit om haar kinderen en achterkleinkinderen heeft bekommerd.

Telkens werden alle romanfiguren voor Némirovsky nog vóór en tijdenshet schrijven mensen van vlees en bloed, met vooraf uitgestalderekwisieten, omgevingen, belevenissen en zelfs herinneringen. Dat deed zeook voor Le maître des âmes, het feuilleton dat ze in het rechtsgezindepolitieke en literaire blad Gringoire in 1939 publiceerde. (Het verscheeneigenlijk onder de titel Échelles du Levant, maar de huidige uitgeverheeft dat veranderd omdat het ook een romantitel is van Amin Maalouf.)

Het is het verhaal van een in Frankrijk aangespoelde vreemdeling diein Nice - waar Némirovsky in haar jeugd op vakantie ging - in de Russischewijk 'armendokter' is, bij toeval zowel in kringen van sjacheraars,prostituees en vileine superrijken vertoeft, psychoanalist wordt en alsmaster of souls (zoals hij zich in het Engels laat noemen) mensen op dedivan geld aftroggelt. Hij is als kleine dief geboren, om te kunnenoverleven, maar wordt een uitgesproken cynische charlatan.

Némirovsky liet zich inspireren door de belevenissen van haar uitgeverGrasset, die zich eind jaren twintig bij de beroemde Franse zielenknijperRené Laforgue liet verzorgen. Haar boek gaat over geld en zogezegd'goedgemeende' oplichterij. Ze schrijft het allemaal op in de traditie vande oude feuilletonisten: in elk hoofdstuk gebeurt iets onverwachts, telkensweer een kentering in het verhaal. Dat kan ze als geen ander.

De personages zijn ook nu weer haast meedogenloos neergezet, zoals inde boeken van Louis-Ferdinand Céline, zonder onderscheid, de een nietbeter of slechter dan de ander. Némirovsky spaarde Russen noch joden,Fransen noch vreemdelingen. Ze schreef haar novellen en boeken niet in hetRussisch of Jiddisch maar in het Frans, la langue de l'antisémitisme deplume, in de taal van haar tijdgenoten.

Was ze antisemiet? Nee. Kon ze goed schrijven? Ze was, dat zie jemeteen als je haar leest, een uitzonderlijk getalenteerde schrijfster.Élisabeth Gille typeerde haar moeder in haar 'gedroomde herinneringen' alsiemand 'die vergeten was dat we joden zijn'. Wie het hele oeuvre van IrèneNémirovsky overziet, zoals haar eerste hobbyistische biograaf JonathanWeiss, merkt 'hoe ze voortdurend in haar boeken op zoek ging naar haarjoodse identiteit', die ze uiteindelijk heeft 'hervonden' in Auschwitz enBirkenau.

Paul Depondt

Meer over