ook de moeite waard

Wielergesprekken, brieven van een betweter en Marguerite Duras

Er verscheen deze week nog veel meer. Deze week: Nando Boers, Helga Schubert en Wang Jiaxin.

Redactie
null Beeld

Urenlang praten met wielrenners levert toegang op tot de ziel van het peloton

Aan een van de wielrenners in de interviewbundel Ik ben renner, Maarten Tjallingii, stelt Nando Boers de vraag of het peloton een monster is. Tjallingii antwoordt dat de topsport het monster is, door de roem die kan worden vergaard en door de media, die maar dóór blijven vragen. ‘Wij zitten hier ook al lang te praten, bij een voetballer kom je niet eens binnen bij wijze van spreken…’.

Al tien jaar interviewt Nando Boers voor het tijdschrift De Muur wielrenners volgens een vast stramien, uitputtend en lang. Kom daar inderdaad in het voetbal maar eens om, een wereld waarin de hoofdrolspelers zichzelf steeds meer laten isoleren en nog maar hoogst zelden hun gedachten willen delen met journalisten. Voor zijn interviews vraagt Boers aan renners steevast om ‘onbeperkte tijd’. Dat is een strenge eis, maar 35 kandidaten gingen akkoord. De titel van de bundel is goed gekozen. De interviews gaan in de eerste plaats over het vak en pas in de tweede plaats over de man of vrouw. In een omvangrijk boek waarin de ziel van het peloton wordt blootgelegd, lopen die twee werelden naadloos in elkaar over.

Paul Onkenhout

Nando Boers: Ik ben renner. Ambo Anthos, €39,99.

Heerlijke brieven van een gruwelijke betweter

Hoogachtend, Eliza Peabody (Queen of the Tambourine) is alweer het negende vertaalde boek van Jane Gardam (1928), een auteur die met name dankzij haar prachtige ‘Old Filth’-trilogie (Een onberispelijke man en zijn vervolgdelen) terecht voor de vergetelheid werd behoed. Het is een brievenroman – en nee, dat is niet synoniem met ‘saai’. De brieven zijn afkomstig van het personage uit de titel, een laat-middelbare vrouw uit Zuid-Londen, en gericht aan haar buurvrouw Joan. Al na een paar bladzijden wordt het de lezer duidelijk dat Eliza en Joan elkaar nauwelijks kennen, maar dat weerhoudt Eliza er niet van haar buurvrouw met allerlei welgemeende adviezen te overstelpen. Dat Joan last heeft van haar been is hoogstwaarschijnlijk psychosomatisch. Beseft Joan wel dat ze daarmee zowel zichzelf als haar man voor schut zet? In de (immer onbeantwoorde) brieven die volgen ontpopt Eliza zich niet alleen tot een gruwelijke betweter wier adviezen evenzovele reprimandes zijn, maar betoont ze zich bovendien een intrigerend-onbetrouwbare verteller, van wie steeds duidelijker wordt dat ze zelf in (geestelijke) nood verkeert. Humoristisch, malicieus en toch ontroerend.

Hans Bouman

Jane Gardam: Hoogachtend, Eliza Peabody. Uit het Engels vertaald door Gerda Baardman en Kitty Pauwels. Cossee; € 24,99.

Hoe wreed ‘beschaafd Nederland’ tekeerging op Sumatra komt pas later echt binnen

Het uur van de olifant begint mooi met een bevlogen portret van Tjoet Nja Dinh (1848-1908), de onverschrokken vrouw die een leidersrol had in het hardnekkige verzet van de lokale bevolking in Atjeh tegen de wrede pogingen van de Nederlanders om het noorden van Sumatra te onderwerpen. Daarna verspringt het perspectief en blijkt de roman van Otto de Kat zich vooral te concentreren op twee jonge Nederlandse ex-militairen die door hun oorlogservaringen in Atjeh een illusie armer zijn geworden en aan het denken worden gezet.

De een, W.A. van Oorschot, heeft echt bestaan. In 1907 publiceerde hij onder het pseudoniem Wekker in dagblad De Avondpost een geruchtmakende reeks artikelen over de schandelijke manier waarop ‘beschaafd Nederland (…) vrede en orde schept op Atjeh’. De ander, Maxim van Oldenborgh, is een door de schrijver verzonnen personage. Na zijn tijd in Nederlands-Indië probeert hij als burgemeester van Texel een nieuw leven op te bouwen, maar wanneer Van Oorschot een week bij hem komt logeren spelen zijn oorlogstrauma’s heftig op. De twee mannen ontberen het heroïsche aureool van de onverzettelijke Tjoet Nja Dinh. Toch zijn ook zij op hun manier – in dialoog met elkaar en met zichzelf - helden van het verzet tegen de koloniale politiek van Nederland.

Maarten Steenmeijer

Otto de Kat: Het uur van de olifant. Van Oorschot; € 22,50.

Terugblikken in verwondering op een moeder die slaat als je durft te hoesten

De Oost-Duitse schrijfster Helga Schubert wist dat ze pas na de dood van haar moeder met enige relativering over hun kille relatie zou kunnen schrijven. De moeder wordt 101 en Schubert is dan ook al 80 als ze Altijd weer opstaan schrijft, een verzameling korte stukken waarin ze met humor, wrangheid en verwondering haar schijnwerper richt op kleine en grote gebeurtenissen uit haar leven: de indruk die sprookjes op haar maakten, de vader die kort na haar geboorte om het leven kwam, de zomers bij haar grootmoeder (‘zo kon ik alle kilte overleven’), de bizarre ge- en verboden van de haar bespionerende Stasi, maar vooral de wrede onverschilligheid van haar moeder (‘Ik had je moeten vergiftigen’).

Zodra het over hun relatie gaat, schrijft Schubert over zichzelf in de derde persoon: ‘Haar dochter, die door mijn moeder werd geslagen, soms gewoon omdat ze er was en hoestte.’ Zo creëert ze afstand, maar wordt haar mooi vertelde verhaal ook des te hartverscheurender.

Ranne Hovius

Helga Schubert: Altijd weer opstaan – Een Duitse geschiedenis. Uit het Duits vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. Pluim; € 22,99.

De columns van Marguerite Duras vormen zomaar een treurig liefdesverhaal

De columns die Marguerite Duras voor de krant Libération schreef, hoefden niet met de actualiteit te maken te hebben, maar konden gaan over wat haar zelf interesseerde. Dus schreef ze over de dagen zoals je een stad doorkruist; over wat ze ziet die zomer van 1980, kijkend uit het raam van haar appartement aan de kust van Trouville. Ook gebundeld, in Zomer ’80, blijven deze stukken bijzonder geslaagd.

De zee, de regen en de wind – het is een grauwe, natte en stormachtige zomer – zijn een goed onderwerp voor Duras: ‘Vandaag is de zee ronduit woelig. Gisteren stormde het. In de verte is ze bezaaid met witte barsten’. Weer of geen weer, op het strand spelen elke dag de kinderen van het zomerkamp. Duras valt een jongetje op dat buiten de groep valt. Een van de leidsters ontfermt zich over hem. Of ze echt bestaan blijft ongewis. Duras suggereert een relatie tussen hen, en de onmogelijkheid van die relatie. De actualiteiten (de Olympische Spelen in Moskou, de havenarbeidersstaking in Gdańsk) sijpelen mondjesmaat dit treurige liefdesverhaal binnen.

Wineke de Boer

Marguerite Duras: Zomer ’80. Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. Vleugels; € 23,95

Wat is een zorb? Guus Middag verklaart rare woorden met aanstekelijk plezier

Wat is een bamboeseur, een duivekater of een zorb? En waarom heet een klokhuis een klokhuis? Guus Middag zoekt het uit in zijn Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden. Niet in droge, feitelijke lemma’s, maar in 86 mini-essays vol met vrolijke, vaak persoonlijke anekdotes (eerder als columns verschenen in tijdschrift Onze Taal).

Het eerste is meteen een pareltje: over ‘aire’, de Franse aanduiding voor een parkeer- of rustplaats langs de weg – in Nederland een bekend begrip. Het is ook de titel van een gedicht van Gerrit Kouwenaar. In Duitse vertaling zou het gedicht ‘Autobahnraststätte’ gaan heten; Duitsers kennen de term ‘aire’ immers niet. Kouwenaar zelf wond zich daar mateloos over op: het Duitse woord had toch echt een totaal andere uitstraling.

Middag haalt zijn inspiratie vaker uit poëzie; hij vindt ‘koopmuziek’ bij Menno Wigman, een ‘allesdier’ bij Erik Menkveld, een ‘nonnenspiegel’ bij Chr. J. van Geel. Ook het dagelijks leven biedt een schat aan rare woorden. (Wat bedoelt de timmerman toch als hij zegt dat iets maar ‘een hutkaartje’ scheelt?) Met aanstekelijk plezier beschrijft de auteur zijn vondsten en gedachtenkronkels. Een lemma per dag – ik kan het iedereen aanbevelen.

Emilie Menkveld

Guus Middag: Verklarend zakwoordenboekje van rare woorden. Van Oorschot; € 14,50.

Het sneeuwt schitterend (en warm) in de gedichten van Wang Jiaxin

Waarom doet de sneeuw op de Olympische Winterspelen me niets, maar zegt de sneeuw die de Chinese dichter Wang Jiaxin in zijn poëzie oproept me juist alles? Beide zijn verbeeldingen, maar de ene is koud en levenloos, de ander is menselijk, warm, oprecht. En het sneeuwt wat af in de gedichten van Jiaxin, waarvan nu met Een asgrauwe dageraad een bloemlezing in Nederlandse vertaling verschijnt.

Maar liefst tien vertalers ontsloten Jiaxins wereld voor ons, een wereld die ontstaat bijvoorbeeld in het holst van een winternacht. De dichter moet, schrijft Jiaxin, ‘de wortels van zijn woorden vinden, / moet zich door de woorden worstelen, in de richting / van dat enige raam dat nooit bevriest / en dan niets dan sneeuw, sneeuw, sneeuw.’ Het enige raam dat nooit bevriest – het is een schitterende definitie van poëzie. Jiaxin schrijft nu eens lange, licht-melancholische gedichten, dan weer korte, aforistische teksten: ‘Zij die weten wat het is om in ijzige koude te leven, zullen in de tuin een stukje grond apart houden om hun zonnebloemen te zaaien.’ Anders gezegd: zij die van poëzie houden zullen een plekje voor het werk van Wang Jiaxin bewaren.

Geertjan de Vugt

Wang Jiaxin: Een asgrauwe dageraad. Samenstelling, redactie en nawoord: Silvia Marijnissen. PoëzieCentrum; € 20.

Meer over