Cultureel verschijnselShag

Wie shag rookte, hoorde ergens bij – hoe is het shaggie in de Nederlandse cultuur geslopen?

Inmiddels zijn ze zeldzaam, maar op elke schoolfoto uit de jaren zeventig zie je ze in de borstzakjes zitten: builen shag. Wie shag rookte, hoorde ergens bij – of zette zich ergens tegen af. De Volkskrant likt de vingers en beschrijft de culturele geschiedenis van het shaggie.

null Beeld Museum Rotterdam
Beeld Museum Rotterdam

In een broeierige scène in Pulp Fiction (1994) hebben Vincent Vega (John Travolta) en Mia Wallace (Uma Thurman) in restaurant-dancing Jack Rabbit Slims hun eten besteld – hij een Douglas Kirk-steak en een Coca-Cola Vanilla, zij een Durwood Kirby-burger en een 5 dollar shake – als hij een sigaret begint te draaien. Wallace heeft al een pakje sigaretten onder haar blouse vandaan gehaald, maar bedenkt zich. ‘Could you, um... roll me one of those, cowboy?’

Vincent (John Travolta), net klaar met rollen: ‘You can have this one, cowgirl.’

Ze neemt het shaggie aan. Hij geeft haar een vuurtje met een Zippo-aansteker.

Mia: ‘Thanks.’

Vincent, voor de vorm: ‘Think nothing of it.’

Later draait Mia zelf een shaggie, in een scène die zich afspeelt in haar appartement en die voorafgaat aan het moment dat ze met bijna fatale gevolgen de heroïne van Vincent opsnuift. Goed zichtbaar is het blauwe pakje shag dat op tafel ligt: Drum, het halfzware kroonjuweel van Douwe Egberts uit Joure, na de oorlog op de markt gebracht en sinds 1956 verkrijgbaar in een plastic verpakking.

Quentin Tarantino, de regisseur van Pulp Fiction, schreef het scenario in 1992 tijdens een verblijf van drie maanden in Amsterdam. Hij zal daar, naast mensen die hun patat/friet bedolven onder mayonaise, tal van shagrokers hebben gezien. Drum was marktleider in Nederland, van oudsher ’s werelds shagland nummer één, zowel qua export als gemiddeld gebruik per hoofd van de bevolking.

Met enige fantasie kunnen de scènes in Pulp Fiction worden beschouwd als een hoogtepunt van de shagcultuur in Nederland, een wereldwijde erkenning van een vaderlands product dat in de 20ste eeuw groot werd gemaakt door Theodorus Niemeyer uit Groningen (Samson, Javaanse Jongens), Douwe Egberts uit Joure (Drum, Brandaris) en Van Nelle uit Rotterdam (De Rijzende Hoop, in de volksmond de ‘zware van de weduwe’ genoemd).

null Beeld Museum Rotterdam
Beeld Museum Rotterdam

Behalve een verslavend en – we zeggen het er voor de zekerheid toch maar even bij – ontzettend ongezond genotsmiddel, was shag een cultureel verschijnsel. In films, tv-programma’s en in de literatuur werden volop shaggies gerookt. Vincent Vega en Mia Wallace waren niet de enigen.

Kantoorklerk Frits van Egters, hoofdpersoon in de De avonden (1947) van Gerard Reve, was een fervente shagroker, evenals zijn vrienden. Liftmonteur Felix Adelaar (Huub Stapel) draait in de horrorfilm De lift (1983) van Dick Maas ook met regelmaat een shaggie, een duidelijk teken dat shag in de eerste plaats een product was voor arbeiders.

Maar het tij is gekeerd, de neergang van shag is evident. Eind vorig jaar werd bekend dat tabaksfabriek Niemeyer dichtgaat, in 2022 waarschijnlijk. Daarmee komt een eind aan twee eeuwen tabaksproductie in Groningen.

Onverwacht was het niet. De totale productie van kerftabak, het halffabrikaat dat de basis van shag vormt (en ook wel ‘rooktabak’ of ‘tabak van fijne snede’ wordt genoemd), is sinds de jaren zeventig gehalveerd. De daling zet gestaag door. In 1971 werd in Nederland 12 miljoen kilo kerftabak verkocht. In 2013 was dat 7,4 miljoen kilo, in 2020 ‘nog maar’ 5,5 miljoen kilo.

De prijs van een pak shag steeg intussen explosief. In januari werd een historische grens bereikt. De prijs van een pakje zware Van Nelle (50 gram) werd bepaald op 15 euro, oftewel ruim 33 gulden. Het bedrag steekt schril af bij de verkoopprijs in 1971: 1,25 gulden.

null Beeld Museum Rotterdam
Beeld Museum Rotterdam

Getreiter

Getreiter, noemt Warry van der Leen de prijsstijgingen. Van der Leen (64) is een overtuigde en principiële shagroker. Hij wijst op de prijsstijgingen en het ‘absurde rookverbod’ in (kleine) café’s en zegt dat hij zich als verstokte roker gecriminaliseerd voelt. ‘Ik ben vogelvrij verklaard. Ze hebben een grote R op mijn hoofd gestempeld, ik ben het kwaad zelf.’

In zijn Haarlemse woning hangt de niet onaangename geur van shag, op tafel ligt een baal voor het grijpen, hier en daar staat een asbak. Het interieur is in de loop der jaren meegekleurd. Dit jaar viert Van der Leen een jubileum, hij rookt een halve eeuw shag, de heftigste variant: zware Van Nelle.

Er gaan ongeveer drie pakjes per week doorheen. Aan stoppen heeft hij nog nooit gedacht, ‘dat doe ik pas als ik er last van krijg’. Zijn moeder heeft tot haar 83ste gerookt, hij heeft nog even.

Van der Leen begon met roken in de hoogtijdagen van de shag, de jaren zeventig. Hij was pas 14. ‘Het was een kwestie van stoerdoenerij, meer niet. We voetbalden in Haarlem in het Frederikspark en daarna gingen we snoep kopen in het Sportfondsenbad en roken.’

Hij experimenteerde eerst met Mantano, een van de vele vergeten (goedkope) merken, en stapte in 1971 over op zware Van Nelle. ‘Ik probeerde van alles, ik moest mijn smaak nog ontwikkelen. Zoals een ander na veel drinken op een gegeven moment zijn favoriete whisky ontdekt, bleef ik hangen bij de zware shag. Ik vond het lekker en leerde het waarderen.’

Bijna iedereen rookte in de jaren zeventig, het zal menig 60-plusser bekend voorkomen. ‘Gezondheidsissues waren er niet. Op schoolfoto’s uit die tijd hebben alle jongens een baal shag in de borstzak van hun spijkerjack.’ Visnetten als decoratie, een poster van Che Guevara aan de muur, lang haar, enigszins stinkende Afghaanse jas, pakje Drum of Samson in de borstzak – het beeld van de jongere in de jaren zeventig is compleet.

De opmars van shag was in de jaren zestig begonnen, en onverbiddelijk. De relatief lage prijs deed de populariteit goed. Een pakje shag was iets duurder dan sigaretten, maar met een gemiddelde van veertig gerolde sigaretten was de shagroker goedkoper uit.

In 1971 rookten 1,8 miljoen Nederlanders shag, 1,5 miljoen mannen en 300 duizend vrouwen. Gemiddeld joeg een shagroker er 120 pakjes per jaar doorheen. In 1960 werden per hoofd van de mannelijke bevolking 37 pakjes shag gerookt, in 1971 waren dat er 46. Naar de bekende activistische ‘antirookdokter’ Lenze Meinsma werd ondanks zijn status als BN’er nauwelijks geluisterd.

null Beeld Museum Rotterdam
Beeld Museum Rotterdam

Reclames

Tegenover de afname van lichte shag stond in de jaren zestig de toenemende populariteit van halfzware shag en in het bijzonder van Drum en Samson, merken die binnendrongen in de jeugdcultuur. In hun reclamecampagnes werden ze respectievelijk aangeprezen als ‘een leeuw van een shag’ en als ‘hele beste halve zware’.

Drum van Douwe Egberts had in 1971 42 procent van de halfzwareshagmarkt in handen, Samson van Niemeyer 33 procent. Op de schoolpleinen en in de jeugdsozen en studentenhuizen waren beide merken in een felle strijd verwikkeld. Het verschil tussen beide merken was onduidelijk.

Waarschijnlijk was het meer een kwestie van gevoel dan van smaak, al denkt filosoof en Denker des Vaderlands Daan Roovers daar anders over. Zij was, overigens in een later tijdvak, de jaren negentig, een fervente shagroker, zozeer zelfs dat haar bijnaam Daan Rokers was en haar auto ‘de rijdende asbak’ werd genoemd.

Behoorlijk adequaat, noemde Roovers haar bijnaam eind vorig jaar in Het Parool. ‘Ik droeg altijd een houthakkershemd en in mijn borstzak zat zo’n buil shag met een aansteker. Samson halfzwaar, geen Drum natuurlijk, Drumrokers hebben geen smaak.’

Een andere analyse was van Hans van Walbeek, een copywriter die de scripts schreef van de veelbesproken (bioscoop)reclames die regisseur Frans Weisz in de jaren zeventig voor Drum maakte. Drum was shag voor mannen op de steiger, analyseerde Van Walbeek later, Samson hoorde meer bij studenten en intellectuelen.

In NRC Handelsblad sprak een directeur van Douwe Egberts zelfs over een ‘identiteitskwestie’. Met Drum richtte het bedrijf zich op een ‘rijpere gebruikersgroep’, Samson was een ‘jeugdig merk’ volgens hem. ‘Door voor Samson of Drum te kiezen, maak je iets kenbaar, iedere keer dat de shagbuil tevoorschijn komt. Drum draagt het beeld uit van de stoere man.’

Vooral Drum timmerde met reclames aan de weg. ‘Als je je draai hebt gevonden, je hebt het aardig voor elkaar, dan heb je Drum gevonden, want Drum is pittig en halfzwaar’, klonk het elke zondagmiddag bijvoorbeeld in alle voetbalstadions in Nederland. Kees van Kooten en Wim de Bie maakten radiocommercials voor Drum en de acterende broers Luc en Pieter Lutz werkten mee aan lollige tv-commercials.

Het hoogtepunt in dit genre was de kolderieke bioscoopreclame die Frans Weisz in 1974 voor Drum maakte, in een trein. Conducteur Willy Alberti heette de reizigers zingend welkom, indianen op paarden probeerden de trein bij te houden, een gangster schoot in de lucht, een hardloper ging van start en een golfer sloeg af (en raakte een van de indianen). De kleine acteur Wim Poncia, Meneer Hiep in de jeugdserie Pipo de Clown, stak zijn hoofd door een luik in de vloer en riep ‘Ajax, Ajax, Ajax’, zwaaiend met een vlaggetje. Intussen zat een jong verliefd stel rustig een shaggie te draaien.

Arbeidersrokerij

Shag was in. Voorheen was shag altijd de poor man’s smoke geweest, een goedkoop genotsmiddel voor vooral arbeiders en studenten. In De avonden van Gerard Reve wordt door jongeren flink gerookt. Frits van Egters, de hoofdpersoon, grijpt meermaals naar zijn shagdoos.

‘We konden wel weer eens een sigaret opsteken’, zei Jaap. Hij haalde zijn zakje shag tevoorschijn en begon te draaien. ‘Jij een?’, vroeg hij Frits. ‘Nee’, antwoordde deze, ‘ik heb zelf.’ Hij haalde zijn doos tevoorschijn. Jaap presenteerde Joosje en Bep en Frits draaide Hoogkamp een sigaret. (De avonden, hoofdstuk 9.)

Of dit fragment: ‘U hoort thans de cantate voor de Tweede Kerstdag van Johann Sebastian Bach’, zei de omroeper. Frits stemde het toestel zuiver af, holde naar zijn slaapkamer, kwam met zijn shagdoos terug en rolde, op de divan gezeten, zo snel een sigaret dat hij deze kon aansteken op het ogenblik dat het onregelmatige geraas van het stemmen van muziekinstrumenten had opgehouden en hij het tikje van de dirigent hoorde. ‘Nu ben ik gelukkig’, zei hij hardop en grinnikte. (De avonden, hoofdstuk 5.)

Bekend was een variant uit de oorlog en de jaren van de wederopbouw van een zin uit Zonnig Madeira, een populair liedje van Eddy Christiani uit 1938. ‘Zonnig Madeira, land van liefde en zon’ werd ‘Zonnig Madeira, land van shag zonder bon’.

Ook de studenten in Bij nader inzien (1963) van J.J. Voskuil zijn shagrokers. In de vuistdikke roman schrijft Voskuil over zijn studententijd, vanaf 1946. Er wordt onophoudelijk gedraaid en gerookt.

Flap had zijn shag uit zijn zak gehaald en begon een sigaret te rollen terwijl hij zijn benen spreidde en nerveus heen en weer bewoog. Hij zat rechtop en keek onder het rollen even naar Maarten.

Talloze malen noteert Voskuil zinnen als ‘terwijl hij de shag op het vloeitje schudde’ en ‘terwijl hij de sigaret snel tussen zijn vingers draaide en langs het vloeitje likte’. In een recensie in Vrij Nederland maakte Renate Rubinstein er met een dodelijke observatie korte metten mee: ‘Hadden ze hun sigaretten niet zelf moeten rollen, dan was het boek voor de helft korter geweest.’

Shag werd in latere decennia een genotsmiddel voor alle lagen van de bevolking, zoals de Volkskrant constateerde. Oorspronkelijk was de zelfgerolde sigaret volgens de krant exclusief voor de minder bedeelde man: ‘Bij de buidel tabak hoort in het clichébeeld immers een schipper bij windkracht 10, een bouwvakker op de steiger, een arbeider in zijn kantine of een vrachtwagenchauffeur, die ze met één hand kan draaien.’

Studenten dweepten in de jaren zestig met wat ‘proletarische symbolen’ werd genoemd. Het shaggie was er daar één van. ‘De babyboomers namen in hun weg naar boven het pakje Drum of Samson mee. Naast de bouwvakker, rolt ook de leraar, ambtenaar en sociaal werker tegenwoordig zonder gêne zijn eigen sigaret. Zoals met zoveel zaken maakte de protestgeneratie ook de zelfgerolde sigaret sociaal acceptabel.’

null Beeld ANP
Beeld ANP

Stout zijn en gezelligheid

In Ik Jan Cremer – derde boek bracht Jan Cremer in 2008 een nuance aan: ‘Uit solidariteit met de werkende klasse rookt de intellectueel shag, geen zware zoals de arbeider, maar halfzware.’

Niet voor niets stond in 1983 in NRC Handelsblad boven een verslag van een bezoek aan de tabaksfabriek van Douwe Egberts (ook allang weg natuurlijk) de kop ‘De opmars van het armeluisroken’. In de reportage van Wim Wennekes viel de term ‘anti-establishment’. Een van de directeuren verklaarde dat ‘bepaalde culturele stromingen’ shag hebben aangegrepen om zich een identiteit te verschaffen. ‘En dat heeft shag de upswing gegeven: wie shag rookte, was anders dan anderen.’

Dáár kan Ellen ter Gast (50), filosoof, ethicus en voormalig roker, zich helemaal in vinden. Net als haar collega Daan Roovers bezweek ze voor shag, in haar geval halverwege de jaren tachtig. ‘Op die leeftijd neem je niet heel veel verstandige besluiten en denkt niemand aan doodgaan.’

In de vierde klas van het gymnasium in Groningen was Javaanse Jongens (‘Driekwart zwaar’) van de plaatselijke fabrikant Theodorus Niemeyer haar favoriet. ‘Op de verpakking stond een leuk plaatje van twee rokende jongens.’

Op haar school werd veel gerookt. Ze bezweek voor de combinatie van ‘stout zijn en gezelligheid’. Ter Gast: ‘Shag roken was iets voor de linkse elite, de communisten, de jongens in de haven en de arbeiders. Ik kwam uit een kakkineus gezin en de school was een rood bolwerk. De kakkers rookten sigaretten, maar dat was voor mij geen optie. Mijn stiefmoeder rookte Marlboro. Ik zou dus nooit Marlboro roken, dat kon ik gewoon niet.’

Shag was om nog een andere reden voor haar aantrekkelijk. Bij het roken van shag hoort een ritueel: het rollen. ‘Dat maakt shag aantrekkelijker dan sigaretten. Die trek je uit een pakje, klaar. Ik deed het graag, shaggies draaien, en eerlijk gezegd was ik er best goed in. Ik kon me verschuilen, lekker draaien en roken in een hoekje. Ik trok me terug achter het gebaar. En waar zit het plakrandje?’

Nog een pluspunt: ‘Een sigaret is binnen een paar minuten op, ook als je niet rookt. Een shaggie kun je neerleggen en later oproken.’ Punt drie: ‘Waarschijnlijk is het niet waar, maar ik wist zeker dat shag puurder was dan sigaretten. Sigaretten zijn de kant-en-klare pastasauzen die je bij de supermarkt koopt, shag is de saus die je zelf maakt.’ En dan was er nog de charme van de verbazing die het roken van shag opriep in het buitenland. ‘Daar was het helemaal stoer. En ze dachten altijd meteen dat je aan het blowen was.’

Doorroken

Toen ze in Amsterdam ging studeren, stapte Ter Gast over op Samson, later werden het sigaretten. Roken bleef haar intrigeren. ‘Met een sigaret vertel je alles. Het maakt ongelooflijk veel uit wat voor sigaret je rookt: een zelfgedraaide of een prefab, en van welk merk. Roken is veel meer dan iets wat je consumeert, er zit een wereld aan betekenis achter.’

Aan de vooravond van het rookverbod in de horeca in 2008 organiseerde ze in Felix Meritis in Amsterdam een ‘afscheidsfeest voor de sigaret’ voor het filosofisch café Felix & Sofie. Met een sigaret in haar hand hield ze een lezing over de maatschappelijke en culturele betekenis van het roken. ‘De hele zaal stond blauw. Veel filosofen roken erg veel. Ik ook, ik merkte ook dat ik er beter van ging denken.’

Tot vorig jaar bleef ze een gelegenheidsroker, ook na haar twee zwangerschappen. Om redenen die ze niet kan verklaren lukte het haar een paar maanden geleden om er de brui aan te geven. ‘Ik had er ineens geen zin meer in.’

Shagrokers ontmoet ze tegenwoordig alleen nog in Monnickendam, in de haven waar haar zeilboot ligt. ‘In de haven rookt iedereen shag, ik heb daar nog nooit iemand een sigaret zien opsteken. Ik ben daar een van de weinige vrouwen. De mannen vertellen stoere verhalen en roken shag.’

Het slotakkoord is voor een artiest die zich verschuilt achter de naam DJesper. Shag Track, heet het nummer dat hij in 2008 online zette. Het is een ode aan het shaggie. Het eerbetoon is dubbelzinnig: voordat hij begint te rappen, is gehoest te horen.

Sjekkies, ik rook ze

Het hele jaar door dus ook in oktober

Sjekkies, geef mij maar die zware

’k Rook ze voor de helft dan heb ik ook wat voor later

Voor het slapen, rook ik zeven sjekkies, want dat vind ik wel een beetje lekker

The Maltese Falcon

In niet één andere film worden shaggies, zes in totaal, zo perfect en vooral snel gerold als in The Maltese Falcon, de klassieker uit 1941 van regisseur John Huston. Dat ligt niet aan de vaardigheden van hoofdrolspeler Humphrey Bogart. Omdat het rollen van de sigaretten in de film te veel tijd in beslag zou nemen, werd in de montage een trucje toegepast. Het draaien wordt slechts vluchtig getoond, het zonder uitzondering perfecte shaggie kan steeds binnen een mum van tijd worden opgestoken.

Bioscoopreclame

Voor de oorlog werd al via de media getracht shag aan de man te brengen. Eind jaren dertig was Zilvershag van J. Gruno uit Groningen een van de bekendste merken. In een bioscoopreclame uit 1939 prijzen twee mannen het product voor de ‘eigengemaakte sigaret’ rijmend aan. Het gaat volgens hen om shag voor de lekkerbek die fijn rookt. ‘Zilvershag is goed en Zilvershag is best, geef mij die maar en hou de rest.’ Aan het eind van de reclame wordt een beeld getoond van rokende Aziatische kleuters, iets wat destijds nog als een goede grap werd beschouwd.

Meer over