Wibaut de machtige

Wibaut als feminist en minnaar: ook dat blijkt een kant van de 20ste-eeuwse wethouder

Aleid Truijens

Toch treurig dat de man aan wie Amsterdam de bouw van de mooiste 20ste-eeuwse wijken te danken heeft - het Plan Zuid, de Spaarndammerbuurt - voor eeuwig moet uitkijken over de ongure Weesperstraat. Daar razen de auto's langs een kleine man in een stijf pak, met een woeste leeuwenkop, evenzeer deftige burgerman als 'artist'.

Eerst stond het standbeeld even verderop, in zijn eigen straat, de enige onvervalste Sovjet-allee van de stad. Daar werd hij in 1981 van zijn sokkel getrokken door een kraker met weinig historisch benul. In zijn ogen was de wethouder die vond dat iedereen, ook de allerarmste, goed en betaalbaar mocht wonen een vuige regent.

Regent was hij natuurlijk ook, maar dan een die veel goeds voor elkaar kreeg. In de jaren 1907 tot 1931 was Florentinus Wibaut (1859-1936) achtereenvolgens gemeenteraadslid voor de SDAP, wethouder van volkshuisvesting en van financiën. Wibaut de Machtige. Een Amsterdams grapje was dat B en W betekende 'burgemeester en Wibaut'. Hij bemoeide zich met de partijlijn, met de voedselvoorziening, met de nutsbedrijven, was commentator in kranten en tijdschriften, schreef boeken over het socialisme, de economie en het feminisme en hield vlammende toespraken. Een bevlogen en onkreukbare man, met een enorm ego.

Zo beschrijft zijn nieuwste biograaf, de historicus Herman de Liagre Böhl, hem in Wibaut de Machtige. Strijder voor een eerlijker samenleving, vader van het 'wethouderssocialisme'. Maar geen marxist. In theorie, en om marxistische vrienden als Frank van der Goes en Herman Gorter te plezieren, geloofde hij dat ooit de wereldrevolutie zou losbreken, maar stralende visioenen daarover - zoals Gorters 'gouden reidans der arbeiders' - had hij niet. Op dat paradijs ging hij niet zitten wachten. Hij was een doener, een rasechte Fabian die, geïnspireerd door die Engelse beweging, meer heil zag in ingrepen als sociale woningbouw of herverdeling van voedsel in tijden van schaarste. Basisvoorzieningen als energie en onderwijs mocht je niet aan de grillen van de markt overlaten.

Intussen was Wibaut doorkneed in het vermaledijde kapitalisme. Hoe je winst maakte, hoe je scherp inkocht, hoe je de klant misleidde door kartelvorming en hoe je gezag hield als baas wist de houthandelaar Wibaut als geen ander. Zijn eigen arbeiders, en later zijn ambtenaren, hield hij behoorlijk kort en hij was niet al te dol op stakingen. De koopman-socialist verdedigde deze tegenstrijdigheid met het argument dat de individuele kapitalist geen schuld droeg; het was het verrotte systeem. De winsten die hij behaalde kwamen het socialisme wel weer ten goede, want hij schonk grote bedragen aan de partij en aan behoeftige kameraden .

Als jongen kende Floor Wibaut de armoede vooral van horen zeggen - en van het collectezakje. Hij groeide op in een rijk, katholiek ondernemersgezin in Vlissingen. Floor ging naar de befaamde kostschool in Rolduc. Even speelde hij met de gedachte priester te worden. Het werd de houthandel. Tot hij in 1914 wethouder in Amsterdam werd en van Middelburg naar Amsterdam verhuisde, was Wibaut directeur van de firma Alberts. Hij werd er schatrijk mee.

Dit is niet de eerste biografie over Wibaut. In 1968 verscheen een proefschrift van G. Borrie, waarin de nadruk vooral ligt op Wibauts gemeentepolitiek. Dat is ook zo in het nog maar vier jaar geleden verschenen Wibaut - Onderkoning van Amsterdam van Eric Slot en Hans Moor, dat door De Liagre Böhl wordt weggezet als een 'boekje' met een 'beknopte levensbeschrijving'. Dat is erg denigrerend voor een boek van bijna driehonderd pagina's waarin Wibauts Amsterdamse tijd zorgvuldig is beschreven.

De Liagre Böhls boek is completer, zeker. De 'politicus en koopman' komt scherp in beeld. Maar de 'mens' Wibaut blijft schematisch, hij komt niet tot leven. De biograaf noemt alle tegenstrijdigheden in zijn karakter, maar gebruikt die niet in zijn vertelling. Wibaut de Machtige is een heldere compilatie

van feiten en een politieke analyse, geen meeslepend verhaal.

Mooie toevoegingen zijn de hoofdstukken over Wibaut als feminist en minnaar. Wibaut en zijn vrouw Mathilde hadden ultramoderne denkbeelden, waarover ze in 1932 een boek schreven, Wordend huwelijk. Het kreeg een lawine van kritiek, ook uit linkse hoek. Het huwelijk mocht geen gevangenis zijn, vond het echtpaar. Moederschap moest vrije keus zijn, gehuwde vrouwen mochten carrière maken en mannen moesten hun vrouw thuis meer bijstaan. Jaloezie was een verachtelijk sentiment: 'een derde' in het huwelijk kon best; dat was zelfs een verrijking.

Wibaut sprak uit ervaring. 'Zo ben ik eigenlyk al m'n huwelijksjaren ontrouw geweest', schrijft hij monter. Als huisvader bemoeide hij zich amper met zijn vier kinderen. Dat liet hij over aan Mathilde, die daarnaast druk was met de socialistische vrouwenstrijd. Zijn biograaf onthult dat hij acht jaar lang een relatie had met de vrijgevochten Johanna Kuiper, die bij de Wibauts thuis kwam en dik bevriend was met Mathilde. Dat Wibauts vrouw daaronder leed, weet de biograaf wel zeker. Zijzelf bleef haar man trouw, maar was wel medeauteur van het vrijgevochten boek. Pijnlijk. Hypocriet ook. Zulke schurende momenten hadden in deze biografie dramatisch best wat meer mogen worden uitgebuit.

Meer over