Welkom lomp varkensgras

‘Goed, je hebt gelijk, niets van compleetheid is in al die volgepakte bladzijden te vinden, niks. Het is een zootje, domheid....

Piet Gerbrandy

Zwijg is in ons taalgebied een volstrekt unieke roman. Van de talrijke verhaallijnen wordt er niet één helemaal afgemaakt, personages met de krankzinnigste namen duiken op uit het niets en gaan daar ook weer in op, en het is onbegonnen werk uit te leggen waarover het boek nu eigenlijk gaat. Want het gaat, zoals Dantes Goddelijke komedie en Ulysses van Joyce, over wat Lucebert zou noemen: ‘de ruimte van het volledig leven’. De hoofdpersoon Augustus Anijs, duidelijk een afsplitsing van de auteur zelf, is een steeds somberder wordende boer annex journalist annex dichter annex organisator van het jaarlijkse volksfeest in de Twentse gemeente Vikingveld (= Denekamp). Hij omringt zich met vage types als de schilder Jan Silvousplaît en de singer-songwriter Hadewijch, heeft een minnares met wie hij de liefde bedrijft in bossen en boerenschuren, drinkt stevig en rookt als een schoorsteen. De lezer raakt verdwaald in het land van zoutwinning en textielbaronnen, is getuige van een optreden van de popgroep Bulkend Groen en de opening van een expositie in Hengelo, waar een ets hangt met de titel Zwijg!, ‘een koeiekop die de toeschouwer recht aanstaarde, zijn oranjerode tong ver uitgestoken’. Precies zo’n kop was te zien op het omslag van de eerste druk van de roman.

Ter Balkt (1938), permanent in de weer met het herschrijven van wat inmiddels een ontzagwekkend oeuvre is, heeft zijn tot nu toe enige roman een forse onderhoudsbeurt gegeven, zonder dat er aan de toon en strekking van het geheel iets is veranderd. Ter Balkts grootste troef is – hoe kan het ook anders bij een dichter van zijn kaliber – de taal zelf, die barok, uitzinnig, maar tegelijk uiterst concreet en beeldend, nu eens oergeestig, dan weer woedend en apocalyptisch voortwoekert en alles, maar dan ook alles weet te bezielen. Een belangrijk stijlmiddel is de personificatie, metaforen zijn vaak ontleend aan de wereld van dieren en vegetatie.

Over treurige Christus-beelden aan landwegen schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Wat drukt de houten romp van de Jezussen nu nog anders uit dan rottenis en zwijgen? Houd je neus maar dicht bij het lijf met de zweetdoek: zwammen groeien frivool door het kadaverachtige hout en mufheid, erger dan in kerken, waait uit de tronk je neusgaten binnen, met een fakkel van duistere paddestoelsporen.’ De verteller wordt er zelf beroerd van: ‘Mijn tong breekt in stukken, op mijn tong ligt een dood paard, mijn tong hangt als een varken aan de ladder.’

Tegelijk met de roman verschijnt een bundeling van Ter Balkts overige proza en zijn toneelwerk, onder de veelzeggende titel De gedenatureerde Delta. Het betreft korte verhalen, dankwoorden, essays waarin vooral de teloorgang van cultuur en literatuur wordt blootgelegd, een viertal eenakters, een interview van de dichter met zichzelf, en een kleine dertig poëzierecensies die tussen 1988 en 1990 in Het Parool stonden. Overeenkomstig zijn principe dat literatuur moet leven en niet mag verstarren heeft Ter Balkt alles grondig herzien en aangevuld.

Uit dit wonderlijke proza komt een poëtica naar voren die in al zijn afkeer van wetten en systemen toch volkomen helder is en dwars tegen de tijdgeest ingaat. ‘Vergrassing, bijvoorbeeld van een heideveld, betekent het langzame einde van dat heideveld: de bijzondere bloemen en vlinders, de bijen, alles verkeert in gras. Het speciale wordt het gewone, het kleurrijke wordt grijs. Vergrassing van de geest betekent vergrijzing. Het bijzondere wordt uniform, alle gedachten dragen dezelfde Nikes en Levi’s. Weg, aard- en steenhommel, welkom lomp varkensgras.’ Grote boosdoeners zijn het symbolisme, het nihilisme en het modernisme, die de taal van haar ziel hebben beroofd, die de mensen en de literatuur hebben gereduceerd tot levenloze, koel geconstrueerde machines. Bij ons hebben vooral de Vijftigers aan dit proces bijgedragen.

Calvijn, Mallarmé en Stalin zijn loten aan dezelfde stam. Hun verderfelijke invloed neemt Ter Balkt waar in het werk van Sybren Polet, Tonnus Oosterhoff en Joost Zwagerman. Rutger Kopland wordt weggezet als een ‘doffe schilpadvogel’, en passant krijgt ondergetekende een veeg uit de pan. ‘De vogels ontvluchten de huisslakloze bossen. Door de doorgestoken kaarten zien we het bos niet meer.’ Het gedicht ‘zal in en van de wereld zijn of het zal niet zijn’. Ter Balkt heeft gelijk. Piet Gerbrandy

Meer over